Slot. De ▇▇▇▇ ▇▇▇▇ heeft ten onrechte de omstandigheid dat een mutual agreement ingaat tegen een eerder door hem gewezen oordeel niet als een moeilijkheid of twijfelpunt aangemerkt in de zin van art. 25, lid 2, Verdrag (gebaseerd op art. 25, lid 3, OESO-Modelverdrag). Het zou de bevoegde autoriteiten moeten zijn toegestaan de dubbele belasting en dubbele niet- belasting die voortvloeit uit de uiteenlopende standpunten van de Duitse en Nederlandse hoogste rechter op ▇▇ ▇▇▇▇▇▇ via de (interpretatieve) mutual agreement. In dit verband zou de voorgestelde tekst van art 3, lid 2, OESO-Modelverdrag in een aantal situaties een oplossing kunnen bieden. Verder zou het parlement voortaan schriftelijk op de hoogte moeten ▇▇▇▇▇▇ gesteld van het sluiten van een mutual agreement. Voetnoten 1) . ▇▇▇▇.▇▇. F.P.G. Pötgens, ▇▇▇▇.▇▇. F.P.G. ▇▇▇▇▇▇▇ is hoogleraar in het Internationale en Europese Belastingrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en belastingadviseur bij De Brauw Blackstone Westbroek NV te Amsterdam. 2) . Besluit van 14 november 2007, nr. IFZ2007/754M, Stcrt. 2007, 227, NTFR 2007/2151, BNB 2008/9 en van Duitse zijde in een besluit van het Ministerie van Financiën van 29 oktober 2007, BStBl. I 2007, p. 756. NTFR 2007/2151 is ingetrokken (onder het huidige belastingverdrag met Duitsland) door het besluit van 15 december 2015, nr. IZV2015/1054M, NTFR 2016/411. 3) . HR 29 september 1999, nr. 33.267, BNB 2000/16 en HR 29 september 1999, nr. 33.482, BNB 2000/17. 4) . Vergelijk tevens J. Vleggeert, FED 2017/51, punt 9. 5) . Beiden zijn van oordeel dat een ontslagvergoeding die wordt toegekend aan een (voormalige) werknemer als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid ▇▇▇ ▇▇▇▇▇▇ aangemerkt in de zin van art. 10 Verdrag (punt 14 van het protocol bij het Verdrag stipuleert uitdrukkelijk dat schadeloosstellingen van natuurlijke personen die in een dienstbetrekking werkzaam zijn als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid moeten ▇▇▇▇▇▇ beschouwd). 6) . Wat betreft het huidige belastingverdrag met Duitsland beschouwt zowel de ▇▇▇▇ ▇▇▇▇ als het Bundesfinanzhof een aan een voormalige werknemer toegekende ontslagvergoeding als ‘lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen’ in de zin van art. 14, lid 1, van dat verdrag. Zie HR 10 februari 1999, nr. 33.946, BNB 1999/153 en BFH 10 juli 1996, BStBl. II 1997, p. 341; BFH 2 september 2009, BStBl. II 2010, p. 394; BFH 2 september 2009, BStBl. II 2010, p. 387 en BFH 10 juni 2015, IStR 2015, p. 785. 7) . Nederland zal in relatie tot Duitsland vanaf 2016 het OESO-commentaar van 15 juli 2014 tot uitgangspunt nemen bij de toerekening van ontslagvergoedingen. Zie de brief van 3 februari 2016, nr. DGB2016/91M, V-N 2016/15.13 en de brief van 11 september 2015, nr. DGB2015/3635U, V-N 2015/48.12.
Appears in 2 contracts