P R A K T I J K i n f o
P R A K T I J K i n f o
Huur van een bedrijfspand
Veel ondernemers, vooral in het midden- en kleinbedrijf, huren het pand waar zij hun bedrijfsactiviteiten in verrichten. Daarbij komt veel kijken. Wat zijn de rech- ten en plichten van de huurder? Wat mag de verhuurder eisen? Wat mag er in een huurovereenkomst staan? Wat zijn de wettelijke regels? Wanneer mag daarvan worden afgeweken? Welke valkuilen zijn er te verwachten?
Deze Praktijkinfo wil inzicht geven in die vragen. Wat is huur? Volgens artikel 201 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is huur: de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, door een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Veel huurders gebruiken de term ‘pacht’ voor hun huur van een pand of inboedel. Dit is onjuist, bij pacht gaat het om grond.
Bij het huren van een bedrijfspand komt veel kij- ken. Zo moet de bestemming de gewenste bedrijfsvoering toelaten, moet het geschikt zijn voor de voorgenomen ondernemersactiviteiten, zijn er eventueel vergunningen die moeten wor- den verkregen en moet er een huurovereenkomst met de verhuurder worden afgesloten.
De wet heeft een aantal bepalingen vastgesteld waaraan huurder en verhuurder moeten voldoen. Met name voor zogenoemde middenstandspan- den (denk hierbij bijvoorbeeld aan winkels of horecaruimten) kent het Burgerlijk Wetboek een meer uitgebreide regelgeving. De regels betreffende huurrecht van bedrijfsruimten zijn sinds 1 augustus 2003 op een aantal punten aan- gepast.
Er bestaan geen vormvereisten voor de huurover- eenkomst. De inhoud moet echter op een aantal
punten voldoen aan dat wat er in het Burgerlijk Wetboek staat. Maar er zijn ook regels in dat wet- boek waarvan in de overeenkomst mag worden afgeweken. Met name voor panden die niet vallen onder de zogenaamde middenstandsbedrijfs- ruimten gelden minimale regels en is hetgeen is overeengekomen in de huurovereenkomst lei- dend en vrijwel de enige houvast.
Naast de huurovereenkomst stellen verhuurders veelal een dik pakket ‘algemene bepalingen’ vast en verklaren die van toepassing op de huurover- eenkomst. Meestal wordt gebruik gemaakt van standaard contracten en van standaard bijbeho- rende algemene bepalingen. Deze bepalingen zijn vaak eenzijdig en ten gunste van de verhuur- der opgesteld. De huurder hoeft deze bepalingen niet één op één te laten bestaan. Hij heeft het recht deze uitgebreid onder de loep te nemen en te schrappen indien ze niet bevallen of naar ver- wachting in de toekomst problemen of onduide- lijkheden zullen opleveren.
Het is dus belangrijk dat (aanstaande) huurders van bedrijfspanden weten waar zij aan beginnen, welk recht geldt en welke valkuilen er kunnen zijn.
NB: Overal waar hij staat in deze Praktijkinfo kan ook zij worden gelezen.
De zoektocht
Bij het vestigen van een nieuw bedrijf, maar ook bij het willen uitbreiden van het bestaande bedrijf of bij ver- anderingen in de bedrijfsvoering, zijn er diverse zaken waar de ondernemer bij stil moet staan, alvorens een overeenkomst aan te gaan betreffende een bepaald pand.
Helaas blijkt maar al te vaak dat er ondernemers zijn die wel een goed ondernemersplan hebben opgesteld en de financiële zaken goed hebben geregeld, maar minder secuur zijn als het gaat om het zoeken naar en het vinden van een geschikt bedrijfspand. Achterin deze Praktijkinfo is een overzicht van aandachtspunten opgenomen die een ondernemer kunnen helpen bij het zoe- ken naar zijn bedrijfspand. Deze aandachtspunten betreffen wettelijke regels, bestemming, omgeving, bereikbaarheid enz.
Twee regimes
De wet onderscheidt voor het huurrecht twee verschillende regimes. Huurders van bijvoorbeeld winkels of horeca hebben, zo denkt de wetgever, namelijk meer bescherming nodig dan degenen die in een andersoortig bedrijfspand zitten.
Het huurrecht is geregeld in Boek 7, titel 4 van het Burgerlijk Wet- boek (BW). De eerste vier afdelingen van deze titel gelden voor alle huurovereenkomsten (de artikelen 7:201-231 BW). Afdeling 5 geldt alleen voor woonruimte en afdeling 6 voor bedrijfsruimte (de artike- len 7:290-310 BW). De wet bedoelt met de term ‘bedrijfsruimte’ een gebouwde onroerende zaak bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, een restaurant- of cafébedrijf, een afhaal- of besteldienst of een ambachtsbedrijf. Ook moet er sprake zijn van een publiek toegankelijk lokaal waarbij roerende zaken of dienstverle- ning rechtstreeks worden geleverd. Vervolgens vermeldt de wet dat hieronder ook het hotelbedrijf en een kampeerbedrijf vallen.
Dit houdt in, dat voor ondernemingen twee soorten regimes huur- wetgeving bestaan, namelijk voor ‘bedrijfsruimte’ zoals hierboven genoemd en bedoeld, en voor, laten we het maar noemen, ‘overige bedrijfsruimte’ alle overige vormen van bedrijfspanden die niet onder de definitie vallen. Bij het opstellen van de wet is bewust voor dit onderscheid gekozen. De gedachte is namelijk dat onder- nemers die gebruik maken van ‘bedrijfsruimten’ in de zin van de definitie in de wet, extra bescherming nodig hebben vanwege de
plaatsgebondenheid van de vestiging en de gedane investeringen. Het is denkbaar dat het niet duidelijk is welk huurrecht voor een bepaald gehuurd pand van toepassing is, omdat bijvoorbeeld een gedeelte van het gehuurde valt onder bedrijfsruimte en een ander deel onder overige bedrijfsruimte. Ook komt voor dat een gedeelte van het pand wordt bewoond. Over het algemeen kan worden aangenomen, dat bij strijd tussen de geldende wetgeving de regels voor ‘bedrijfsruimte’ gelden.
Noot: In de huurovereenkomst kunnen verhuurder en huurder niet opnemen dat de regels geldend voor de zogenaamde ‘bedrijfsruimte’ geen werking hebben, of bepalingen opnemen die ten nadele zijn van de huurder! Alleen de rechter kan toestemming voor afwijking geven. Deze zal dat alleen doen indien de rechten van de huurder niet worden aangetast of indien hij de maatschappelijke positie van de huurder niet zodanig acht dat deze wettelijke bescherming nodig heeft.
De termen ‘bedrijfsruimte’ en ‘overige bedrijfsruimte’ kunnen voor verwarring zorgen. Daarom wordt in deze Praktijkinfo verder gesproken over ‘middenstandsbedrijfsruimte’ (of ‘middenstands- panden’) en over ‘overige bedrijfsruimte’.
Wat is wat? regelgeving van ‘overige bedrijfsruimten’ zijn bijvoorbeeld fabrieken, kantoren, werkplaatsen, showrooms, reisbu-
Vaak is niet duidelijk of een bepaalde bedrijfsvoering nu wel reaus, bioscopen, sportzalen, praktijkruimten voor vrije of niet kan vallen onder de beschermde regelgeving van beroepen, autoverhuurbedrijven en begrafenisonderne- ‘bedrijfsruimte’. In de rechtspraak en uit de wetsgeschie- mingen. Bij deze ondernemingen moeten de ondernemers ▇▇▇▇▇ zijn een aantal ondernemingen te herleiden die als met extra zorg naar de inhoud van de huurovereenkomst en ‘bedrijfsruimte’ in de zin van de wet worden aangemerkt. de bijbehorende algemene bepalingen kijken, omdat de ver- Dit zijn bijvoorbeeld garages, stomerijen, tankstations, sto- huurder het huurcontract vrijelijk kan samenstellen en niet merijen en grootwinkelbedrijven. met de beschermende regelgeving voor zogenaamde Ondernemingen die vallen onder de minder beschermende ‘bedrijfsruimte’ hoeft rekening te houden.
Duur van de overeenkomst
De wet kent bepalingen over de duur van een huurovereenkomst. Echter, deze gelden weer alleen voor de ‘middenstandsbedrijfsruimten.’ Voor de overige bedrijfsruimten gelden enkel de tussen huurder en ver- huurder overeengekomen bepalingen. Daarbij geldt uiteraard wel het principe dat die niet in strijd mogen zijn met de ‘redelijkheid en billijkheid’ of onrechtmatig mogen zijn.
In het algemeen geldt voor middenstandsbedrijfsruimten dat een huurovereenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijf jaar of langer. Een vaak voorkomende overeenkomst is die van 5+5. Dit houdt in dat bij een overeenkomst voor vijf jaar deze aan het einde van die periode van rechtswege, dus automatisch wordt verlengd met nog eens vijf jaar.
Indien een overeenkomst wordt aangegaan voor een tijdvak van tussen de vijf en tien jaar, dan wordt bij het einde van de termijn de overeenkomst automatisch verlengd tot het einde van tien jaar. Wordt na die tien jaar de overeenkomst niet opgezegd, en hebben partijen verder niets afgesproken, dan geldt deze over- eenkomst voor onbepaalde tijd.
Het is ook mogelijk een huurovereenkomst voor een midden- standspand aan te gaan voor een periode korter dan twee jaar. Echter, in dat geval zijn de huurtermijn- en opzeggingsregels (en dus ook de tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, zie verderop) voor middenstandsbedrijfsruimten niet geldig. Wordt na die twee jaar de overeenkomst toch voortgezet, dan wordt deze automatisch verlengd tot vijf jaar en gelden ook de wettelijke bepalingen weer. ▇▇▇▇▇▇ huurder en verhuurder dit niet, dan moeten ze toestemming vragen aan de rechter.
Een huurovereenkomst aangaan voor een periode tussen de twee en vijf jaar is niet zonder meer mogelijk. Ook hiervoor geldt dat eerst toestemming van de rechter is vereist.
Opzegging middenstandspanden
De huurder moet altijd de afgesproken tijd volmaken, tenzij hij met de verhuurder tot een overeenkomst kan komen, dus met wederzijds goedvinden opzegt. Merkt de huurder in bijvoorbeeld het derde jaar dat zijn zaak niet loopt, dan kan hij niet zomaar van de huur afkomen door op te zeggen. Hij moet daarvoor in over- leg met de verhuurder en diens medewerking krijgen. In het algemeen geldt er een opzegtermijn van één jaar. Opgezegd moet worden bij exploot of bij aangetekende brief.
Voor huurovereenkomsten van middenstandsbedrijfsruimten van een bepaalde tijd geldt dat aan het einde van de overeenge- komen huurtermijn kan worden opgezegd. Dit geldt voor de con- tracten van vijf jaar, vijf jaar met verlenging van nog vijf jaar (5+5)
- ook tegen het eind van de eerste vijf jaar is hier opzegging moge- lijk!, tien jaar of een periode tussen de vijf en tien jaar. Nog steeds geldt echter een opzegtermijn van één jaar.
Voor opzegging door de huurder moet worden voldaan aan boven- staande termijn en wijze. Hij hoeft de opzegging niet te motiveren. Voor de opzegging door de verhuurder gelden strengere bepa- lingen voordat de opzegging rechtsgeldig is. Hij zal moeten moti- veren waarom hij wil opzeggen. Een voorgenomen huurverhoging is een niet-geldige reden. De huurder heeft ver- volgens zes weken om schriftelijk akkoord te gaan met beëindi- ging van het contract. Doet deze dat niet, dan kan de verhuurder opzegging vorderen bij de rechter. Deze kan - mits hij instemt met opzegging - een vergoeding voor verhuis- en inrichtings- kosten toewijzen.
Vijf jaar
De rechter kan de beëindiging van een overeenkomst die is aan- gegaan voor vijf jaar toewijzen, maar alleen indien:
• de bedrijfsvoering door huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt;
• de verhuurder (of echtgenoot, geregistreerd partner, bloed-
/aanverwant 1e graad of pleegkind) het pand zelf nodig heeft voor welk duurzaam gebruik dan ook.
Stel dat de eigenaar/verhuurder tussentijds het pand overdoet aan iemand anders. Vervolgens wil de nieuwe verhuurder de huur opzeggen om een van beide bovengenoemde redenen. Hij moet dan drie jaar wachten voordat hij daarom kan vragen. Vervolgens geldt alsnog een opzegtermijn van één jaar. Het is daarmee heel wel mogelijk dat inmiddels de tweede huurtermijn is ingegaan. Hij kan dan pas definitief opzeggen per datum einde contract. Indien achteraf blijkt dat verhuurder het pand niet zelf nodig had, kan de rechter naast een eventuele verhuis- en inrichtingskos- tenvergoeding ook schadevergoeding vaststellen. Dit wordt geacht zo te zijn indien het gebruik één jaar later niet is gereali- seerd, behoudens tegenbewijs.
Tien jaar
Voor de opzegging van een huurovereenkomst die tien jaar (dus ook na 5+5 jaar) heeft geduurd gelden dezelfde argumenten als vermeld bij vijf jaar, met de volgende aanvullingen:
• de huurder stemt niet in met een redelijke nieuwe overeenkomst (voor zover deze geen wijziging van de huurprijs inhoudt);
• de verhuurder wil het pand een andere bestemming geven (mits toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan);
• de belangen van de huurder en de eventuele onderhuurder wegen minder zwaar dan die van de verhuurder.
Na tien jaar
Indien een huurovereenkomst ná tien jaar is voortgezet, terwijl partijen verder niets meer hebben geregeld over de verdere duur van de overeenkomst, dan kan het contract op ieder moment worden opgezegd. Anders zou je immers nooit kunnen opzeggen, er is geen einde van de huurtermijn afgesproken. Maar ook hier geldt voor de verhuurder dat dit niet zomaar kan. Dezelfde argu- menten als bij opzegging van een huurovereenkomst van tien jaar zijn ook hier van kracht.
Onderhuur
Het kan zijn dat de huurder het pand heeft doorverhuurd aan een derde, een onderhuurder. Hij heeft daarbij de plicht deze te infor- meren over de termijn van de hoofdhuur. Ook moet hij de belan- gen van zijn onderhuurder behartigen bij beëindiging van de hoofdhuur en het tijdstip van de gewenste ontruiming van het pand. Blijft de eerste huurder (die nu zelf ook verhuurder is) hier- bij in gebreke, dan kan de rechter een schadevergoeding toewij- zen.
Faillissement
Bij faillissement of surséance van betaling van de huurder gelden de artikelen 39 respectievelijk 238/228 van de Faillissementswet. In deze Praktijkinfo wordt hier verder niet op ingegaan.
Overlijden
De erfgenamen van de huurder dienen bij de opzegging tenminste een termijn van zes maanden aan te houden. Ook hier moet de opzegging bij exploot of bij aangetekende brief worden gedaan. Ze hoeven dus niet te wachten tot einde over- eenkomst. Dit hoeft uiteraard niet als de beëindiging met wederzijds goedvinden wordt afgesproken.
Bij overlijden van de verhuurder nemen de rechtsopvolgers (erfgenamen) de huurovereenkomst over. Voor opzeggen gel- den alleen weer de formele regels zoals boven beschreven. De nieuwe verhuurder neemt het contract over.
Opzegging overige bedrijfsruimten
Opzeggen van de huurovereenkomst voor overige bedrijfsruimten is aan minder regels gebonden dan aan die voor middenstandspanden. De huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan (of voor onbe- paalde tijd is verlengd), eindigt simpelweg door opzegging. De huurovereenkomst die voor een bepaalde termijn is aangegaan, kan aan het einde van die termijn worden opgezegd.
Het kan natuurlijk voorkomen dat er geen opzegtermijn in de overeenkomst is opgenomen. In dat geval geldt als opzegtermijn de periode die tussen twee huurbetalingstermijnen in ligt. Wordt bijvoorbeeld een huur betaald per kwartaal, dan is de opzegter- mijn drie maanden. De minimale termijn is één maand. Er gelden geen vormvereisten voor de opzegging, maar voor de bewijs- baarheid is het aan te raden dit bij aangetekende brief te doen. Er ligt nog wel een adder onder het gras. De verhuurder moet namelijk bij de opzegging ook de ontruiming van het pand aan- zeggen. Dit moet schriftelijk gebeuren. Ook hier is een aangete- kende brief natuurlijk wel handig voor de verhuurder wil hij een bewijs in handen hebben. Verzuimt de verhuurder de ontruiming aan te zeggen, dan kan de huurder gewoon in het pand blijven, ook al is de huurovereenkomst geëindigd.
De huurder hoeft niet akkoord te gaan met opzegging van de overeenkomst. Het maakt dus niet uit om wat voor contract het
gaat, bepaalde of onbepaalde tijd. Hij heeft de mogelijkheid nog twee maanden te blijven zitten vanaf de datum dat de huurover- eenkomst is beëindigd, al is er opgezegd én ontruiming aange- zegd. Binnen deze periode kan de huurder de rechter om verlenging vragen. Er volgt dan een gerechtelijke procedure, die meestal een paar maanden duurt. Gedurende deze hele tijd mag de huurder gewoon blijven zitten.
De rechter zal bij zijn oordeel de belangen afwegen van verhuur- der en (onder-)huurder. Als blijkt dat de huurder onbehoorlijk gebruik van het pand heeft gemaakt, heeft gezorgd voor ernstige overlast of een wanbetaler is, dan zal de rechter geen verlenging van de huurovereenkomst toestaan. Hij stelt dan ook het tijdstip van ontruiming vast.
Besluit de rechter verlenging wél toe te staan, dan kan deze duren tot hoogstens een jaar na het eindigen van de overeenkomst. Deze termijn kan op verzoek van de huurder uiterlijk een maand voor het verstrijken van dit jaar nog tweemaal met nog een jaar
worden verlengd. Dus de huurder kan maximaal drie jaar langer in het pand zitten.
Van deze regels inzake de ontruimingsbescherming mag niet worden afgeweken in een overeenkomst.
De huurder van een zogenoemd ‘overig bedrijfspand’ doet er
goed aan, indien hij langer van het pand gebruik wil maken, geen overeenkomst voor onbepaalde tijd af te spreken, omdat deze altijd opzegbaar is. Beter is bijvoorbeeld een contract van vijf jaar met verlenging van nog vijf jaar (5+5) af te spreken. Maar uiter- aard hangt dit alles samen met de wensen van huurder en ver- huurder.
Overlijden
Indien de huurder komt te overlijden kunnen diens erfgenamen de huurovereenkomst tot zes maanden na overlijden van de huurder opzeggen, met een maand opzegtermijn. Tenzij in de overeenkomst anders is bepaald.
Komt de verhuurder te overlijden, dan nemen de erfgenamen (de rechtsopvolgers) de huurovereenkomst over.
Vaststellen van de huurprijs
Het is in het belang van de huurder van een bedrijfspand dat hij nagaat of de huurprijs die hij moet betalen niet te hoog is. Voordat hij het weet, is hij voor de duur van het contract genoodzaakt een te hoge huur te betalen.
Voor het vaststellen van de waarde van een pand en daarvan afge- leid de huurprijs, laten partijen vaak een taxatie uitvoeren door een makelaar. In veel gevallen is zo’n keuring echter onvoldoende om de huurprijs van een bedrijfspand objectief vast te stellen. Een taxatie gaat namelijk meestal alleen uit van de marktwaarde van een pand en niet van de wettelijke vergelijkingscriteria. Voor mid- denstandsbedrijfsruimten geldt namelijk dat de huurprijs wordt vastgesteld op basis van een vergelijking van de huurprijzen van overeenkomstige panden gedurende een bepaald aantal jaren. Het is daarom aan te bevelen eerst te onderzoeken wat de gemid- delde huurprijs van vergelijkbare, bij voorkeur nabijgelegen huurpanden was gedurende de voorgaande vijf jaren. Daarbij
Servicekosten
Een ander aandachtspunt zijn de servicekosten. Het komt voor in offertes dat deze post alleen met een totaalbedrag is opgenomen. De huurder ontbeert daarmee inzicht in de reële kosten. Het verdient aanbeveling een totale lijst op te vragen van kostenposten die onder de servicekosten val- len en een gespecificeerde rekening. Het komt nogal eens voor, dat de verhuurder bij aanvang van de huur de servi- cekosten laag heeft gehouden, om huurders akkoord te laten gaan met de huurovereenkomst. Een jaar blijkt dan dat de werkelijke kosten vele malen hoger zijn en moet de huurder fors bijbetalen. Er zijn ook voorbeelden bekend waar bij nadere specificatie blijkt dat de servicekosten lukraak worden opgevoerd, of dat de huurder voor diens- ten betaalt die niet zijn voorzien of van geen enkel belang zijn voor hem.
moet onder meer worden gelet op ligging, bereikbaarheid, grootte, breedte van de pui, toegankelijkheid en klantenstroom. Voor overige bedrijfsruimten geldt dit wettelijk gezien niet, maar is een dergelijke vergelijking wel aan te bevelen.
Btw
De huur van bedrijfsruimte is btw-vrij. Maar beide partijen kun- nen een verzoek indienen bij de Belastingdienst en opteren voor belaste huur. Het is ook mogelijk in de huurovereenkomst op te nemen dat over de huurprijs btw is verschuldigd. De huurprijs kan overigens alleen met btw zijn belast, indien de huurder deze belasting tenminste voor negentig procent als voorbelasting in aftrek kan brengen (dit is geregeld in de Wet omzetbelasting).
Verhogingen
In de meeste huurovereenkomsten staat vermeld, dat jaarlijks de huurprijzen met een indexcijfer (opvraagbaar bij Centraal Bureau voor de Statistiek) worden verhoogd. Soms wordt er een vast verhogingsbedrag of -percentage afgesproken.
De verhuurder kan niet zomaar een huurstijging doorvoeren boven hetgeen is afgesproken. Daarvoor zijn in de wet regels vast- gelegd. Ook hier is er weer onderscheid gemaakt tussen midden- standspanden en overige bedrijfsruimte.
Aanpassingen
Middenstandspanden
Voor middenstandspanden geldt dat met wederzijds goedvinden de afspraken over de huurprijs altijd kunnen worden aangepast. In die gevallen waar geen overeenstemming wordt bereikt, moet de rechter uitkomst bieden. Dit kan gaan om een gewenste ver- hoging van de verhuurder, maar evengoed om een verlaging die de huurder eist.
Bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd mag de rechter zolang de termijn loopt, de huurprijs niet wijzigen. Dit is bij wet vastgelegd. In alle andere gevallen, als er geen termijn is afgespro- ken of geen bepalingen meer gelden over verlenging, mogen par- tijen maar eens in de vijf jaar een aanpassing van de huur vragen aan de rechter. De ingangsdatum van de nieuwe huurprijs is in principe de dag van de vordering. Dit is dus met terugwerkende kracht, ongeacht de duur van de rechtszaak. De rechter kan ook bepalen dat de huurprijs gedurende een door hem vast te stellen termijn van maximaal vijf jaar geleidelijk (dus stapsgewijs) zal wor- den aangepast.
Er is een uitzondering op de regel: als de huurder een verzoek tot aanpassing indient bij de rechter vanwege gebreken aan het pand. Dan kan de huurprijs tussentijds worden gewijzigd.
Deskundigen
Voor één der partijen naar de rechter stapt voor een huurprijs- wijziging (waar de ander niet mee akkoord gaat), dient eerst een huurprijsadvies te worden opgesteld. Dit moet gebeuren door één of meer deskundigen: makelaars, onroerend goeddeskundi- gen, leden van Bedrijfshuuradviescommissies, branchevertegen-
woordigers. Partijen moeten deze(n) gezamenlijk benoemen. Komen ze er niet uit, dan kan de zogenoemde ‘meest gerede par- tij’ de rechter verzoeken een deskundige te benoemen. Veelal is de verhuurder de meest gerede partij.
Zoals hiervoor gezegd, moet bij het opstellen van het advies niet worden uitgegaan van de marktprijs maar van de huurprijs van vergelijkbare ruimten. De deskundige(n) vergeet dat nog wel eens. Het deskundigenadvies moet identiek zijn opgesteld als een Bedrijfshuuradviescommissie dat zou hebben gedaan (de vereis- ten staan in artikel 7:303 lid 2 BW). Het is in ieder geval niet toe- gestaan de huurprijs te verhogen omdat de huurder op eigen kosten verbeteringen aan het gehuurde pand heeft aangebracht. Als de verhuurder het pand heeft opgeknapt, kan hij wel een aan- passing van de huurprijs vragen, met inachtneming van de wet- telijke regels zoals eerder beschreven.
Overige bedrijfsruimte
Bij de overige bedrijfsruimten geldt datgene dat is overeengeko- men. De huurder van een dergelijk bedrijfspand moet dus goed letten op de redelijkheid van de huurprijs, de servicekosten en de voorgestelde huurprijsverhogingen. De rechter kan weinig begin- nen tegen afspraken uit de overeenkomst.
Koop breekt geen huur
Een huurovereenkomst blijft ook geldig als de verhuurder het pand verkoopt aan een ander of komt te over- lijden. Koop breekt geen huur. De nieuwe eigenaar c.q. de erfgena(a)m(en) moet zich houden aan de bestaande huurovereenkomst en kan de huurder er dus niet zomaar uitzetten. Ook andersom geldt dit prin- cipe. De huurder c.q. diens erfgena(a)m(en) kan niet zomaar zijn zaak die in het pand is gevestigd overdra- gen of verkopen aan een nieuwe huurder. Hij heeft daarvoor een zogenoemde ‘indeplaatsstelling’ nodig.
Middenstandspand
De makkelijkste weg om een ‘indeplaatsstelling’ te verkrijgen is als de verhuurder meewerkt aan dit verzoek. Indien deze dat wei- gert, kan de huurder de rechter een machtiging vragen om een ander in zijn plaats te laten stellen. Voor augustus 2003 gold dat voor bijvoorbeeld een groentewinkel een nieuwe groentewinkel in de plaats moest komen. Dit is in het nieuwe huurrecht geschrapt. De nieuwe huurder hoeft niet meer een zelfde soort bedrijf uit te oefenen. Natuurlijk moet nog wel worden gekeken naar het geldende bestemmingsplan.
Gaat de rechter akkoord, dan neemt de nieuwe huurder de huur- overeenkomst over met alle afspraken die op dat moment al gol- den. Hij treedt dan eigenlijk in de plaats van de oude huurder. De rechter zal het verzoek alleen inwilligen indien de oude of de nieuwe huurder een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van het bedrijf. Ook moet de nieuweling voldoende waarborgen bieden voor een volledige nakoming van de overeenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering.
Het is bij wet verboden dat er bepalingen staan in de huurover- eenkomst die indeplaatsstelling verbieden of onmogelijk maken.
In veel standaardcontracten die verhuurders hanteren staat, dat de huurder bij indeplaatsstelling een bepaald bedrag moet beta- len o.a. voor administratieve kosten. Een dergelijke bepaling kan echter een indeplaatstelling in de weg staan. Het is aan te raden dat de huurder niet akkoord gaat met deze bepaling en laat schrappen uit de huurovereenkomst en de bijbehorende alge- mene bepalingen, alvorens te tekenen. Hetzelfde geldt voor andere voorwaarden die de verhuurder in de overeenkomst aan indeplaatsstelling wil verbinden.
Overige bedrijfsruimte
Bij de overige bedrijfsruimten geldt ook hier dat wat is overeen- gekomen. De huurder kan de mogelijkheid tot indeplaatsstelling natuurlijk wel laten opnemen in de huurovereenkomst.
Onderhuur
Onderhuur is in principe toegestaan, voor alle soorten bedrijfsruimten. Er zijn een paar uitzonderingen op de regel. De meest voor de hand liggende is een verbod op onderhuur in de huurovereenkomst. Een ander obstakel is als de hoofdverhuurder naar verwacht redelijke bezwaren zal hebben tegen het gebruik van zijn pand door een ander. Hierbij is het tijdstip van het aangaan van de onderverhuurovereenkomst bepalend. Blijkt de onderhuurder pas ná het aangaan van de onderhuurover- eenkomst onbehoorlijk gebruik te maken van het pand, en hoefde de huurder dit niet te verwachten, dan is de onderhuur- overeenkomst bevoegd tot stand gekomen. De verhuurder hoeft dus geen uitdrukkelijke toestemming voor onderhuur geven. Zie voor extra rechten van de onderhuurder het hoofdstuk Opzegging.
Een pand met gebreken
Gebreken aan een pand moeten worden hersteld. De verhuurder moet de reparaties (laten) uitvoeren en betalen. De huurder moet deze wel onverwijld melden. Blijkt het gebrek al bij aanvang van de huurover- eenkomst te zijn ontstaan of is er sprake van slecht onderhoud, dan kan de verhuurder ook aansprakelijk worden gesteld voor ontstane schade.
Als een huurder gebreken ontdekt aan het pand moet hij die onverwijld melden aan zijn verhuurder. Dit gaat op voor alle soorten bedrijfsruimten. De huurder heeft een meldingsplicht. Laat hij de melding na, dan is hij aansprakelijk voor de eventuele schade die de verhuurder door die (te) late melding kan lijden. De verhuurder op zijn beurt is verplicht de gebreken te verhelpen, behalve indien dit onmogelijk is of uitgaven vereist die niet van hem kunnen worden gevergd. Deze ‘verontschuldiging’ van de verhuurder zal echter niet snel worden aangenomen. Dat de te maken kosten niet rendabel zijn voor de verhuurder, wordt niet geaccepteerd als excuus. Dit is bijvoorbeeld zo indien er sprake is van jarenlange verwaarlozing van de onderhoudsverplichting. Wacht de verhuurder te lang met de onderhoudswerkzaamheden, dan is hij aansprakelijk voor eventuele schade van de huurder.
Als de verhuurder de gewenste reparaties niet tijdig uitvoert, mag zijn huurder de reparatie ook zelf (laten) uitvoeren en de kosten daarvan verhalen door het bedrag op de huurbetaling in te hou- den. Daarbij geldt dat het bedrag redelijk moet zijn. De huurder doet er dus goed aan in ieder geval twee aannemers om een offerte te vragen. Een machtiging van de rechter is niet nodig maar soms wel handig. De verhuurder kan naar de rechter stap- pen als hij het bedrag te hoog vindt. Als deze oordeelt dat er een verkeerde inschatting is gemaakt, kost dat de huurder geld.
Verborgen gebreken
Het kan voorkomen dat een gebrek al aanwezig was bij het aan- gaan van de huurovereenkomst. De verhuurder is aansprakelijk voor eventuele schade van zijn huurder, als hij van het manke- ment op de hoogte was of had moeten zijn; of het heeft ontkend. Een voorbeeld hiervan is een lek in het dak. De verhuurder is aan- sprakelijk voor waterschade die daardoor ontstaat als:
• hij het lek niet (goed) heeft gerepareerd;
• hij bij het aangaan van de huurovereenkomst weet dat er een lek is;
• hij had moeten weten dat er een lek is;
• hij heeft ontkend dat er een lek is;
• er sprake is van slecht onderhoud in het algemeen.
In andere gevallen (denk aan stormschade) hoeft er geen schade te worden uitgekeerd. De huurder kan de schade verhalen op zijn eigen verzekering, indien hij die heeft.
Het is verboden om in de huurovereenkomst of de algemene bepalingen af te wijken van het recht van de huurder zijn ver- huurder aansprakelijk te stellen voor schade ontstaan door een gebrek waar deze weet van had of had moeten weten. De ver- huurder mag geen bepalingen of clausules opnemen/melden die zijn schuld of aansprakelijkheid uitsluiten!
Huurgenot
Indien een gebrek aan het pand verminderd huurgenot ver- oorzaakt, kan de huurder bij de rechter vermindering van de huurprijs vorderen. Voorbeelden hiervan zijn niet goed func- tionerend sanitair in een horecapand, of een gat bij de ingang van het pand waardoor klanten niet normaal naar binnen kunnen. De lagere huur gaat dan in vanaf het moment dat het gebrek is gemeld bij de verhuurder of hem voldoende bekend was. De huurder hoeft hiervoor niet eerst een termijn vast te stellen waarbinnen het gebrek moet zijn verholpen. Als het gaat om een ‘verborgen gebrek’ (dat de verhuurder dus kende of had moeten kennen bij het aangaan van de huurovereen- komst maar niet heeft gemeld) mag in het contract geen bepaling staan dat dit recht niet geldt.
Wijzigingen, onderhoud en reparaties
De huurder mag niet zomaar de bedrijfsruimte waarin hij zijn zaak heeft verbouwen, of op eigen houtje reparaties uitvoeren. Het pand mag niet worden gewijzigd. Dit geldt niet voor kleine aanpassingen die mak- kelijk zijn terug te draaien.
Voor alle soorten bedrijfsruimten geldt, dat de huurder zonder toestemming van de verhuurder geen wijzigingen mag aanbren- gen in het pand, tenzij deze aanpassingen zonder al te veel kos- ten bij beëindiging van de huur kunnen worden verwijderd. Denk bijvoorbeeld aan gordijnen (rails), spiegelwanden enz.
Gaat de verhuurder niet akkoord met een wens van zijn huurder tot aanpassing, dan kan deze een machtiging vragen aan de rech- ter. De rechter toetst het verzoek aan de noodzaak van de wijzi- gingen voor het doelmatig gebruik versus de belangen van de verhuurder. Ook kan de rechter voorwaarden verbinden aan de machtiging of (na een eis van de verhuurder) de huurprijs verho- gen. Dit kan het geval zijn als de wijzigingen een waardevermin- dering met zich meebrengen.
De huurder moet bij het beëindigen van de huurovereenkomst het pand in oorspronkelijke toestand terugbrengen (mits dit uiteraard redelijk is). Dit gaat alleen op bij wijzigingen die met toestemming zijn aangebracht en niet verwijderbaar zijn. De huurder kan dan een vergoeding eisen van de verhuurder. Het toekennen daarvan is ook weer aan voorwaarden gebonden. Zo moet hij bijvoorbeeld kunnen aantonen dat hij de aanbrengkos- ten niet heeft kunnen terugverdienen, dat hij geen overnamekos- ten van de nieuwe huurder heeft ontvangen of dat de wijziging(en) de verhuurder voordeel oplever(t)(en). De huurder krijgt geen vergoeding als de huurprijs al was verlaagd vanwege de aanpassingen.
Het is niet toegestaan ten nadele van de huurder af te wijken van de regels voor gebreken, wijzigingen en reparaties, behalve als het om de buitenkant van het pand gaat.
Het terugbrengen in de oorspronkelijke toestand kan problema- tisch zijn, wanneer onduidelijk is hoe die toestand was. Wanneer er een beschrijving bestaat van het pand bij aanvang van de huur (bijvoorbeeld in een inspectierapport), dan moet de huurder die volgen. Een uitzondering geldt voor geoorloofde veranderingen en toevoegingen en hetgeen is teniet gegaan of beschadigd door ouderdom.
Als er geen beschrijving bestaat, dan wordt verondersteld dat het pand bij het einde van de huurovereenkomst in dezelfde staat is als aan het begin. Tenzij de verhuurder tegenbewijs heeft. Van deze regel mag in de huurovereenkomst worden afgeweken. Dat wordt ook overwegend gedaan, in die zin dat wordt gezegd dat bij onduidelijkheid de staat van de bedrijfsruimte bij het aangaan van de overeenkomst bepalend is. Hier moet de huurder opletten. Het is zeer aan te raden niet akkoord te gaan met een dergelijke bepa- ling. Dat zou namelijk betekenen dat de huurder ook opdraait voor het terugbrengen in de oude staat van geoorloofde verande- ringen aan het pand, of gebreken door slijtage of ouderdom.
Een tip: een eerlijk, kritisch inspectierapport (met foto’s) is in een dergelijke situatie geen overbodige luxe! Laat er daarom een opmaken vóór het aangaan van de huurovereenkomst.
Onderhoud
Onderhoudswerkzaamheden die zich bij normaal gebruik van het gehuurde voordoen, komen voor rekening van de huurder. Dit is niet zo indien her- stellingen nodig zijn door tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken (dan is het ook geen regulier onderhoud meer).
Vaak wordt bij de algemene bepalingen bij de huurover- eenkomst een lijst opgesteld waarin de onderhoudsver- plichtingen worden verdeeld tussen de verhuurder en de huurder. Het onderhoud buiten het pand en de construc- tie zijn dan meestal voor rekening van de verhuurder en die binnenin voor de huurder. Het is aan te bevelen de lijst goed door te nemen om na te gaan of de onderhoudsver- plichtingen wel redelijk zijn en duidelijke afspraken te maken voordat de huurovereenkomst wordt gesloten.
Renovatie
De huurder moet niet alleen dringende werkzaamheden aan het pand gedogen, maar ook een renovatie! Daarbij moet de ver- huurder wel een redelijk - schriftelijk - voorstel doen, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de huurder en eventuele onderhuurder(s). Bij bezwaar kan de rechter de rede- lijkheid toetsen. Noot: onder renovatie wordt ook sloop met ver- vangende nieuwbouw verstaan.
Indien er sprake is van renovatie van een zogenoemde bouwkun- dige eenheid waarin meer dan tien huurders zitten (daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen woningen of bedrijfsruimten), dan geldt dat het voorstel redelijk is als zeventig procent of meer huurders ermee hebben ingestemd, tenzij in de huurovereen- komst dit percentage hoger of lager is vastgesteld. De huurder kan bezwaar aantekenen door binnen acht weken na aankondiging van het renovatievoorstel (waarin dus is opgenomen dat zeventig procent akkoord is) naar de rechter stappen. Ook de verhuurder kan die stap zetten als hij niet de gewenste zeventig procent haalt. Indien blijkt dat de renovatie noodzakelijk is en niet kan worden uitgevoerd als de huurovereenkomst wordt voortgezet, is dat een grond om de huur op te zeggen. Dit staat in het Burgerlijk Wet- boek (artikel 7:220 BW). Het is echter toegestaan om hiervan af te
wijken in de huurovereenkomst/algemene bepalingen. (Uiter- aard geldt dit niet voor de gang naar de rechter.) Hoe dan ook, het artikel kan een zware belasting op de huurder leggen. Het is dan ook aan te bevelen de werking van een dergelijke passage in een huurovereenkomst of in de algemene bepalingen uit te sluiten.
Vragenlijst
In dit hoofdstuk een opsomming van vragen die de huurder kan nalopen alvorens hij de huurovereenkomst tekent. De lijst is een indicatie en uiteraard niet volledig.
1 Wat zijn de voordelen van huren ten opzichte van kopen? Wat is haalbaar en wenselijk voor mijn bedrijf? Hoe zie ik de toekomst van mijn bedrijf? Is huur de beste optie (bijvoorbeeld voor starters) of zijn er meer voordelen bij koop (pensioenvoorziening)?
2 Wie is de verhuurder? Hoe staat deze bekend?
3 Wie gaat de huur aan? Persoonlijk of op naam van het bedrijf, de vennoten gezamenlijk?
4 Kan de huur van het pand worden overgedragen indien de rechtsvorm van de onderneming wijzigt?
5 Waarom staat het pand te huur?
6 Hoe ziet de omgeving van het pand eruit, is die voldoende representatief voor het bedrijf?
7 Zijn de concurrenten in de nabijheid gevestigd en is dat gewenst of ongewenst?
8 Zijn er voldoende energievoorzieningen aanwezig voor de bedrijfsuitoefening? Wat zijn de kosten indien dit niet het geval blijkt te zijn? Zijn er afzonderlijke meters en hoe verloopt de betaling?
9 Wat zijn de tarieven van de (lokale) overheid voor vergunningen, belastingen enz.?
10 Zijn er lokale/regionale subsidies te verkrijgen?
11 Wat schrijft het bestemmingsplan voor, ook van de directe omgeving?
12 Zijn er speciale milieueisen voor dit pand of het bedrijf, is er een milieuvergunning nodig?
13 Welke eisen worden er gesteld aan brandveiligheid?
14 Zijn er bijzondere bouwtechnische eisen (bijvoorbeeld vloerbelasting)
15 Zijn er eisen die invloed hebben op een eventueel aan te vragen bouwvergunning?
16 Kan er sprake zijn van bodemverontreiniging (schoon grondverklaring vragen) en heeft dit gevolgen voor wiens aansprakelijkheid de eventuele verontreiniging komt?
17 Rusten er erfdienstbaarheden (bijvoorbeeld recht van overpad) op het gehuurde?
18 Wie doet ▇▇▇▇ onderhoud en voor wiens rekening?
19 Wat is de staat van het pand? Is er asbest aanwezig of schimmel of houtworm, zijn er nog oude leidingen, is er voldoende isolatie, is er genoeg sanitair en in welke staat?
20 Zijn er mogelijkheden voor verbouwingen/aanpassingen/reclame-uitingen?
21 Welke eisen stelt de arbeidsomstandighedenwet en kunnen die in het pand worden toegepast?
22 Is er voldoende geschikt personeel te vinden in de regio?
23 Hoe zit het met de bereikbaarheid van het pand per auto en/of openbaar vervoer (voor personeel, klanten en leveranciers)?
24 Wat is de afstand tot klanten en leveranciers?
25 Zijn er voldoende parkeervoorzieningen?
26 Welke verzekeringen zijn hier nodig en wie betaalt welke?
27 Is er beveiliging bij het bedrijf of op het bedrijfsterrein? Heeft dat invloed op de verzekeringspremies?
28 Wat staat er in de huurovereenkomst? Wat zijn de eventueel bijbehorende/bijgevoegde algemene bepalingen?
29 Wat is de huurperiode/looptijd van het contract?
30 Welke bepalingen zijn er opgenomen over de te betalen servicekosten, wat wordt er afgesproken over afrekeningen, termijnen enz.?
31 Zijn de hoogte van de huurprijs en servicekosten redelijk?
32 Verlangt de verhuurder een waarborgsom of een bankgarantie?
Tips
Nog enkele laatste tips om aan te denken bij het huren van een bedrijfspand.
Bestemmingsplan
Veel ondernemers zien een mooi pand in een leuke omgeving en sluiten een huurovereenkomst af. Later blijkt dat de gewenste ondernemersactiviteiten niet in dat pand kunnen worden ver- richt omdat er een andere bestemming op het pand rust. Vaak staat er in de huurovereenkomst of in de bijbehorende algemene bepalingen, dat de verhuurder in dat soort gevallen geen blaam treft en dat de huurder een zogenaamde onderzoeksplicht heeft. ▇▇▇ zit de huurder dus met een pand waarover huur moet wor- den betaald, terwijl hij er niets mee kan! In het bestemmingsplan staat ook hoeveel van de grond mag worden bebouwd, welke uit- breidingen mogelijk zijn. Ook is van belang wat de bestemmings- plannen van aangrenzende gebieden zeggen. Komt er een grote weg, een groot winkelcentrum? Of bij een industrieterrein: komt er een woonwijk naast waardoor bepaalde categorieën bedrijfs- activiteiten binnen een straal van zoveel meter niet meer zijn toe-
gestaan? De ondernemer kan de bestemmingsplannen bij de des- betreffende gemeente inzien/opvragen.
Rapport
Het is aan te bevelen een staat op te maken van onderhoud, wat is er aanwezig , wat zijn de meterstanden enz. Beide partijen moe- ten deze ondertekenen. Laat eventueel ook een inspectierapport opmaken met foto’s.
Huur
Vaak wordt een huurovereenkomst afgesloten en daarbij een bepaalde huurprijs per maand bedongen. Achteraf blijkt, dat de huurprijs in verhouding tot de huurprijzen van andere, vergelijk- bare, panden in de buurt veel te hoog is. Dan zit de huurder toch voor een aantal jaar aan die prijs vast voordat hij opnieuw met de verhuurder kan onderhandelen.
Tot slot
Sinds 1 januari 2002 zijn de kantongerechten geïntegreerd met de rechtbanken. De sector kanton van de recht- bank behandelt de huurzaken. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof, dus niet meer bij de rechtbank.
Hoewel deze brochure met zorg is samengesteld, kan voor de inhoud geen enkele aansprakelijkheid worden aanvaard, noch rechten eraan ontleend.
De mogelijkheid bestaat om bij de sector kanton van de recht- bank goedkeuring te vragen voor afwijking van bepaalde regels waarvan bij overeenkomst niet mag worden afgeweken (zoge- naamde dwingendrechtelijke regels). Dit kan voor alle wettelijke
bepalingen inzake het huurrecht bedrijfsruimten, behalve van de indeplaatsstellingsbepaling (= artikel 7:307 BW) van midden- standsbedrijfsruimten.
Deze Praktijkinfo is een uitgave van de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland
Redactie:
▇▇▇▇▇▇▇ ▇▇▇ ▇▇▇▇,
secretaris ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ ▇▇▇▇▇, ▇▇▇▇@▇▇▇.▇▇ ▇▇▇▇▇ ▇▇▇▇▇▇, Communicatie, ▇▇▇▇▇▇@▇▇▇.▇▇
MKB-Nederland, Postbus 5096,
2600 GB Delft
Tel: ▇▇▇-▇▇▇▇▇▇▇, fax: ▇▇▇-▇▇▇▇▇▇▇,
COLOFON
