BLAD GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
BLAD GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
Officiële uitgave van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland
Nr. 1072
9 mei
2025
Arbeidsvoorwaarden
§ 5 Regeling ontheffing nachtdiensten
Artikel 4:10 Werkingssfeer
Artikel 4:11 Begripsbepaling
Artikel 4:12 Ontheffing
Artikel 4:10 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar werkzaam in de functie van brandweercentralist of calamiteitencoördinator (CaCo) binnen het meldkamerdomein, die minimaal 10 jaar heeft gewerkt in een rooster met nachtdiensten binnen het meldkamerdomein van de Veiligheidsregio’s, Ambulance of Politie of in 24-uursdiensten bij een Veiligheidsregio of diens rechtsvoorganger.
Artikel 4:11 Begripsbepaling
Deze paragraaf verstaat onder nachtdienst een dienst die uren bevat gelegen tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
Artikel 4:12 Ontheffing
Lid 1
Ontheffing van het werken in nachtdiensten op verzoek van de ambtenaar gaat niet eerder in dan met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag van het bereiken van de leeftijd als hieronder aangegeven:
a. in 2024 vanaf de leeftijd van 60 jaar;
b. in 2025 vanaf de leeftijd van 59 jaar;
c. in 2026 vanaf de leeftijd van 58 jaar en
d. in 2027 vanaf de leeftijd van 57 jaar. Lid 2
De ambtenaar dient zijn verzoek tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van nachtdiensten in uiterlijk 6 maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum.
Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 4a is vervallen. (per 1-1-2017)
Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 5 is vervallen. (per 1-4-2012)
Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 5a is vervallen. (per 1-4-2016)
Artikel 6:1 Vakantie
Lid 1
In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende sa- laristoelage(n).
Lid 2
Dit vakantierecht bestaat uit wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren. Lid 3
De duur van de wettelijke vakantie-uren is vier maal de formele arbeidsduur per week.
Artikel 6:1:1 Vakantieverlening
Vervallen (per 1 januari 2024)
Artikel 6:1a Vervaltermijn wettelijk verlof
Lid 1
Indien in een kalenderjaar de wettelijke vakantie-uren geheel of gedeeltelijk niet zijn opgenomen, ver- vallen deze uren 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om deze vakantie-uren op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.
Lid 2
Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk vakantie-uren gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het bestuur kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
Artikel 6:2 Bovenwettelijke vakantie-uren
Lid 1
De ambtenaar met een voltijd dienstverband krijgt 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren naast de vakantie in artikel 6:1. Dit aantal wordt naar evenredigheid verminderd voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week.
Lid 2
De werkgever kan met instemming van de OR van deze vakantie-uren maximaal 2 dagen aanwijzen als dagen waarvoor hetzelfde geldt als de feestdagen bedoeld in artikel 4:5 lid 3.
Lid 3
In afwijking van lid 1 behoudt de werknemer die op 31 december 2023 recht had op meer dan 43,2 bo- venwettelijke vakantie-uren zijn recht op deze uren tot het einde van het dienstverband.
Artikel 6:2:1 Toekennen vakantie
Lid 1
De vakantie-uren, waarop de ambtenaar recht heeft worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.
Lid 2
De vakantie wordt verleend door het bestuur.
Artikel 6:2:1:1 Regeling vakantie en verlofrechten
Lid 1
De totale hoeveelheid basisverlof als bedoeld in artikel 6:2 lid 1 bedraagt bij een volledige betrekking 165,6 uur.
Lid 2
De overeenkomstig het vorige lid vastgestelde duur van de vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd, die de ambtenaar in het betreffende kalenderjaar bereikt, overeenkomstig de volgende tabel verhoogd:
leeftijd
beneden de 19 jaar 40 tot en met 45 jaar
45 tot en met 50 jaar
50 tot en met 55 jaar 55 jaar en ouder
Lid 3
verhoging aantal uren
7,2 uur
7,2 uur
14,4 uur
28,8 uur
43,2 uur
Ambtenaren als bedoeld in artikel 1:1, lid 1 onder a, dan wel werknemers als bedoeld in artikel 2:5:1 kunnen op eigen verzoek extra verlof als gevolg van arbeidsduurverkorting ontvangen met dien ver- stande dat bij een volledige betrekking 4 uur verlof wordt verleend bij een feitelijke werkweek van 40 uur. Deeltijders kunnen aanspraak maken op verlof als gevolg van arbeidsduurverkorting naar rato van hun aanstelling met inachtneming van de verhouding 36:40. De maximale hoeveelheid verlof als gevolg van arbeidsduurverkorting bedraagt op jaarbasis bij een volledige betrekking 204 uur.
Lid 4
De uren van het basisverlof en de uren van het ADV-verlof worden afzonderlijk op de verlofkaart gere- gistreerd. Bij opname van verlof dient de ambtenaar vooraf aan te geven of verlofuren dan wel ADV- uren worden opgenomen.
Lid 5
Het aantal uren dat voor een verlofdag moet worden afgeschreven is afhankelijk van de voor die dag geldende feitelijke arbeidsduur (incl. ADV-opbouw).
Lid 6
Indien de ambtenaar tijdens opname van ADV-uren ziek is of aan het eind van het kalenderjaar niet alle ADV-uren heeft opgenomen, dan komen deze ADV-uren te vervallen.
Lid 7
Het bepaalde in het zesde lid geldt niet indien de ambtenaar omwille van het dienstbelang niet in staat was ADV-uren op te nemen.
Lid 8
Het in een jaar niet genoten basisverlof mag tot maximaal de helft van het in het voorgaande jaar gel- dende verlof worden opgenomen in het nieuwe jaar.
Lid 9
Buitengewoon verlof dient met vermelding van de gebeurtenis waarop het verlof is gebaseerd, te worden aangegeven op de verlofkaart.
Lid 10
Bij afwezigheid wegens ziekte wordt gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid geen vermindering van het basisverlof toegepast. Of er een vermindering wordt toegepast kan pas na afloop van de periode van afwezigheid worden vastgesteld.
Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% wegens ziekte verhinderd is (dus arbeidsgeschikt voor 45% of meer) dan vindt vermindering niet plaats. Deze tijdvakken blijven buiten beschouwing voor de ver- mindering. De periode van 6 maanden gaat opnieuw tellen na een periode van herstel voor 45% of meer gedurende tenminste 4 weken.
Lid 1
Bij afwezigheid wegens ziekte eindigt de opbouw van ADV-compensatie na 1 maand ziekte, ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid.
Artikel 6:2:1:2
Jaarlijks kunnen maximaal 40 uren verlof als verplicht verlof worden aangewezen. Leidinggevenden stellen degenen die geen verlof opbouwen als bedoeld in het artikel 6:2:1, lid 3 in de gelegenheid deze verplicht vrije uren in te halen op een ander tijdstip indien betrokkenen deze uren niet van hun totale verloftegoed als bedoeld in het artikel 6:2:1 lid 4 wensen op te nemen.
Artikel 6:2:2 Opname vakantie-uren
Lid 1
De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.
Lid 2
De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing. Lid 3
De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de va- kantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.
Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte en afwezigheid
Lid 1
De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.
Lid 2
Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.
Lid 3
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:2:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:
a. gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;
b. gedurende afwezigheid wegens ziekte Lid 4
Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Lid 5
Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.
Artikel 6:2:4 Niet verleende vakantie-uren
Lid 1
Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch ui- terlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.
Lid 2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het bestuur de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.
Artikel 6:2:5 Intrekken toegekende vakantie
Lid 1
Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts ge- deeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking geno- men bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.
Lid 2
Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.
Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie-uren andere redenen
Lid 1
Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:
a. op verzoek van de ambtenaar;
b. als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of
c. als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten.
Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het bestuur te bepalen aantal uren.
Lid 2
De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.
Lid 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:1 lid 3 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.
Artikel 6:2:7 Vergoeding gederfde voordelen tijdens vakantie
Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn ver- bonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.
Artikel 6:2a Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.
Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
Vervallen (per 1 januari 2024)
Artikel 6:3 14,4 uur extra bovenwettelijke vakantie-uren
De ambtenaar bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, krijgt 14,4 uren bovenwettelijke vakantie-uren erbij indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.
Artikel 6:3:1 Vervallen
vervallen per 1-1-2017
Artikel 6:3a Verlofsparen
Lid 1
De ambtenaar kan verlofsparen. Lid 2
De verlofspaaruren verjaren niet. Lid 3
De Bronnen van verlofspaaruren zijn:
a. het verlof uit de overwerkvergoeding in artikel 3:18, tweede lid;
b. de vakantie-uren gekocht uit het IKB in artikel 3:29, eerste lid, onder a;
c. de vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst in artikel 6:3;
d. overig toegekende niet-wettelijke vakantie-uren. Lid 4
De ambtenaar kiest uit het derde lid welke uren hij spaart. Een combinatie van bronnen uit het derde lid is mogelijk.
Lid 5 De ambtenaar met een voltijddienstverband mag op 31 december van een kalenderjaar maximaal 3600 uren verlof hebben. Hieronder vallen de verlofspaaruren, de wettelijke vakantie-uren, de bovenwettelijke vakantie-uren en andere (compensatie)verlofuren.
Lid 6
Als de ambtenaar verlofspaaruren opneemt voor een periode van een maand of langer, geldt artikel 6:9, tweede tot en met negende lid.
Lid 7
Als de ambtenaar arbeidsongeschikt is, geldt artikel 6:11. Lid 8
De ambtenaar neemt voor het einde van zijn dienstverband zijn verlofspaaruren zoveel mogelijk op in overleg met het bestuur.
Artikel 6:4 Buitengewoon verlof
Lid 1
De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 2
In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.
Artikel 6:4a Verlof huwelijk of partnerschap
Lid 1
Het bestuur verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.
Lid 2
De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het bestuur wanneer het huwelijk of het regis- teren van het partnerschap zal plaatsvinden.
Artikel 6:4b Langdurend zorgverlof
Lid 1
De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoela- ge(n).
Lid 2
Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.
Lid 3
De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 4
De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.
Lid 5
Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.
Artikel 6:4c Vakbondsverlof
Lid 1
Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:
a. Centrales van overheidspersoneel;
1. de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);
2. de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel (CCOOP);
3. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instel- lingen (CMHF).
b. Verenigingen van ambtenaren
de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van over- heidspersoneel.
Lid 2
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het bestuur buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:
a. voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan personeel in dienst van de veiligheidsregio organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van personeel in dienst van veiligheidsregio’s indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;
b. voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;
c. voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die verga- dering deelneemt.
Lid 3
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het bestuur aan de ambtenaar met een volledig dienstverband buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salari- stoelage(n) verleend:
a. om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen.
1. om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het apparaat van de veiligheidsregio, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;
2. als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers;
3. als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een ar- beidsvoorwaardenadviseur
b. voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.
Lid 4
Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.
Lid 5
Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledig dienstverband niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien ver- stande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:
a. lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a , nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten.
b. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.
c. Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.
Lid 6
Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Lid 7
Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) ver- leend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de com- missie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.
Lid 8
Het bestuur kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
Artikel 6:4d Kortdurend zorgverlof
Lid 1
De ambtenaar met een volledig dienstverband kan voor maximaal 72 uur in elke periode van 12 achter- eenvolgende maanden aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Wazo.
Lid 2
Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.
Lid 3
Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.
Lid 4
Het bestuur bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:1 is mogelijk.
Artikel 6:4e Non-activiteit
Lid 1
Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.
Lid 2
Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding
- wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat arti- kellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.
Lid 3
Het bestuur kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.
Artikel 6:4f Onbezoldigd verlof bestuurder vereniging van ambtenaren
Lid 1
Het bestuur kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.
Lid 2
Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.
Artikel 6:4g Buitengewoon verlof is geen vakantie
Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de va- kantie.
Artikel 6:5 Betaald ouderschapsverlof
Lid 1
De ambtenaar met ouderschapsverlof heeft voor maximaal 13 keer de formele arbeidsduur per week aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en salaristoelage(n). Bij een voltijddienst- verband is dit 468 uur. Het percentage is:
Salaris | Percentage doorbetaling salaris en salaristoelage(n) |
het maximum salarisschaal 2 | 80% |
het maximum van salarisschaal 2 en het maximum van salarisschaal 4 | 70% |
het maximum van salarisschaal 4 | 50% |
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, kan de ambtenaar per kind kiezen voor:
a. een hoger percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(n) met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof minder wordt dan 468 uur, of
b. een lager percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(n) met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof meer wordt dan 468 uur.
Salaris
Uren betaald ouderschapsverlof voor 13 weken
het max. schaal 2
het max. van schaal 2 en het max. van schaal 4
het maximum van salarisschaal 4
Lid 3
Keuze percentage van de ambtenaar: 50%
748,8 uur
655,2 uur
468 uur
Keuze percentage van de ambtenaar: 70%
534,9 uur
468 uur
334,3 uur
Keuze percentage van de ambtenaar: 80%
468 uur
409,5 uur
292,5 uur
Keuze percentage van de ambtenaar: 100%
374,4 uur
327,6 uur
234 uur
Vervallen per 1 januari 2024.
Lid 4
De ambtenaar mag tijdens het betaald ouderschapsverlof geen betaald werk verrichten. Het bestuur kan hierover aanvullende regels stellen.
Lid 5
Vervallen per 1 januari 2024.
Lid 6
Als uitgangspunt bij het bepalen van het percentage in het eerste lid geldt het salaris van een voltijd- dienstverband bij aanvang van de opname van het betaald ouderschapsverlof.
Lid 7
Het recht op betaald ouderschapsverlof is korter dan 13 weken als het betaalde ouderschapsverlof in lid 2 wordt gecombineerd met de Wazo-uitkering geregeld in artikel 6:5b. Dan geldt de volgende reken- formule:
(x weken recht gedeeld door 13 weken) vermenigvuldigd met het aantal uren als aangegeven in het tweede lid.
Artikel 6:5:1 Voorwaarden
Vervallen.
Artikel 6:5:1:1
Lid 1
Betrokkene medewerker is ten minste een jaar in dienst en heeft een aanstelling op grond van de CAR.
Lid 2 Op de medewerker die ten minste een jaar in dienst is en met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten krachtens hoofdstuk 2, is deze regeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:5:1:2
Lid 1
De betrokkene die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, onderscheidenlijk de betrokkene die blijkens verklaringen uit het bevolkingsregister op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op ouder- schapsverlof met gedeeltelijk behoud van bezoldiging.
Lid 2
Het recht op verlof moet worden genoten voordat het kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt.
Artikel 6:5:1:3
Lid 1
Het ouderschapsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van ten minste één en ten hoogste zes maanden over ten hoogste de helft van de voor betrokkene geldende gemiddelde formele arbeidsduur per week.
Lid 2
Indien het dienstbelang niet toelaat dat het ouderschapsverlof wordt verleend op de wijze zoals in het eerste lid omschreven, wordt na overleg met de betrokkene een afwijkende regeling getroffen. Deze regeling leidt niet tot een vermindering van het aantal uren ouderschapsverlof, waarop de betrokkene conform het eerste lid aanspraak maakt. Het verlof dient in zijn geheel te zijn genoten binnen een jaar na de door betrokkene gewenste aanvangsdatum.
Artikel 6:5:2 Meerlingen
Lid 1
Bij twee- of meerlingen bestaat voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof Lid 2
De bepaling uit artikel 6:5:7 is van overeenkomstige toepassing indien, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschaps- verlof te genieten
Artikel 6:5:3 Ziekte
Vervallen.
Artikel 6:5:4 Vervallen
Vervallen.
Artikel 6:5:5 Vervallen
Vervallen.
Artikel 6:5:6 Vervallen
Vervallen.
Artikel 6:5:7 Hardheidsclausule
Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het bestuur een bijzondere regeling treffen.
Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof
vervallen per 1-1-2016
Artikel 6:5a:1 Vervallen
vervallen per 1-1-2016
Artikel 6:5b Betaald ouderschapsverlof gecombineerd met Wazo-uitkering
Lid 1
De ambtenaar die tijdens het eerste levensjaar van het kind het betaald ouderschapsverlof in artikel 6:5 combineert met het wettelijk betaald ouderschapsverlof heeft aanspraak op maximaal 9 weken van doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) voor 100%. Voor de resterende periode betaald ouder- schapsverlof geldt het bepaalde in artikel 6:5.
Lid 2
De lengte van de resterende periode betaald ouderschapsverlof, als in het eerste lid bedoeld, hangt af van het aantal opgenomen weken 100% betaald ouderschapsverlof dat de ambtenaar heeft opgenomen in het eerste levensjaar van het kind. De volgende combinaties zijn mogelijk:
Ouderschapsverlof 100% betaald (CAR en Wazo samen)
In het eerste levensjaar kind
9 weken = 324 uur
8 weken = 288 uur
7 weken = 252 uur
6 weken = 216 uur
5 weken = 180 uur
4 weken = 144 uur
3 weken = 108 uur
2 weken = 72 uur
1 week = 36 uur
Lid 3
▇▇▇▇▇▇▇ ouderschapsverlof artikel 6:5
Vóór het achtste levensjaar kind
4 weken = 144 uur
5 weken = 180 uur
6 weken = 216 uur
7 weken = 252 uur
8 weken = 288 uur
9 weken = 324 uur
10 weken = 360 uu
11 weken = 396 uur
12 weken = 432 uur
Totaal
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
13 weken = 468 uur
De ambtenaar kan in afwijking van het eerste en tweede lid kiezen om in het eerste levensjaar van het kind alleen gebruik te maken van het wettelijk betaald ouderschapsverlof zonder de doorbetaling van 100% van zijn salaris en salaristoelage(n). De ambtenaar heeft dan aanspraak op de wettelijke uitkering voor maximaal 9 weken en behoudt aanspraak op betaald ouderschapsverlof voor maximaal 13 weken als bedoeld in artikel 6:5.
Lid 4
Bij twee- of meerlingen bestaat voor één kind aanspraak op 100% betaald ouderschapsverlof als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6:6 Vervallen
Vervallen.
Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Lid 1
De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoe- lage(n).
Lid 2
De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.
Lid 3
De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de veiligheidsregio bij en door het UWV
Lid 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo- uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende sala- ristoelagen in mindering gebracht.
Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof
Lid 1
De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 2
De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.
Lid 3
De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de veiligheidsregio bij en door het UWV. Lid 4
Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opge- legd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.
Lid 5
Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.
Artikel 6:9 Onbetaald verlof
Lid 1
De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de veiligheidsregio kan het bestuur verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden. Lid 2
De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.
Lid 3
Het bestuur kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden. Lid 4
Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan. Lid 5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het bestuur stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.
Lid 6
Het bestuur beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het bestuur.
Lid 7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het bestuur het verlof intrekken.
Lid 8
Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het bestuur en de ambtenaar hiermee instemmen.
Lid 9 Het bestuur kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren. Lid 10
Gedurende de periode van onbetaald verlof bestaat geen aanspraak op salaris, uitkeringen, tegemoet- komingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld. Lid 1 Tijdens onbetaald verlof behoudt de ambtenaar de tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering opgenomen in artikel 3:25.
Lid 12
Tijdens de eerste drie maanden van onbetaald verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de ambtenaar en werkgever gelijk aan het bedrag dat conform het Pensioenreglement verschuldigd is. ▇▇▇▇▇ het onbetaald verlof langer dan drie maanden, dan verhaalt de werkgever met ingang van de vierde maand naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkge- versdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk onbetaald verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld.
Lid 13
Voor de toepassing van lid 12 gelden periodes van onbetaald verlof die elkaar opvolgen binnen een periode van zes weken als één periode.
Lid 14
De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenre- digheid van de omvang van het onbetaald verlof.
Artikel 6:10 Vervallen
Vervallen.
Artikel 6:11 Samenloop met ziekte
Lid 1
Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn dienstverband onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.
Lid 2
Het bestuur kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.
Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Artikel 6:13 Aanspraken tijdens onbetaald Wazo-verlof (vanaf 1 juni 2023)
Lid 1
Tijdens onbetaald Wazo-verlof bestaat geen aanspraak op salaris, uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen
Lid 2
Tijdens onbetaald Wazo-verlof krijgt de ambtenaar, in afwijking van lid 1, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3:25.
Lid 3
Tijdens onbetaald Wazo-verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de werknemer en de werkgever gelijk aan het bedrag dat conform het Pensioenreglement verschuldigd is.
Lid 4
Artikel 6:9 lid 1 t/m lid 13 geldt niet voor onbetaald Wazo-verlof.
Artikel 6a:1 Vervallen
Hoofdstuk 6a is vervallen (per 1-1-2022)
Paragraaf 1 Definities
Artikel 7:1 Definities
Artikel 7:1 Definities
Lid 1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. passende arbeid:
alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
b. werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;
c. ▇▇▇▇▇▇▇▇ in het kader van de reïntegratie:
▇▇▇▇▇▇▇▇ die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;
d. arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate verband houdt met de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze moesten worden verricht tenzij de arbeidsongeschiktheid aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;
e. dienstongeval: een ongeval dat in overwegende mate verband houdt met de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze moesten worden verricht tenzij het ongeval aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;
f. restverdiencapaciteit:
het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;
g. arbodienst:
een dienst als bedoeld in artikel 14a, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
h. inactieve:
de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een veiligheidsregio;
i. postactieve :
de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een veiligheidsregio of inactieve was;
Lid 2
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen. Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek Artikel 7:2:1 Arbo-dienst
Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar Artikel 7:2:4 Vervallen
Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek Artikel 7:2:6 Buitendienststelling
Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en genees- kundig onderzoek.
Artikel 7:2:1 Arbodienst
De veiligheidsregio laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n).
Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Lid 1
De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.
Lid 2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het bestuur te stellen regels.
Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar
De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbodienst rechtstreeks te consulteren ter zake van ge- zondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.
Artikel 7:2:4 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek
Lid 1 Het bestuur is bevoegd de arbodienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:
a. indien naar het oordeel van het bestuur redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
b. indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.
Lid 2
De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.
Artikel 7:2:6 Buitendienststelling
Lid 1
Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het bestuur buiten dienst gesteld.
Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de ar- bodienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.
Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
Lid 1
Indien daartoe naar het oordeel van de arbodienst aanleiding bestaat, verzoekt het bestuur het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.
Lid 2
De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.
Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte
Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen
Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
Artikel 7:6 Vervallen Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst Artikel 7:8 Nadere regels
Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging
Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a
Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen
Lid 1
De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedu- rende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salari- stoelage(n).
Lid 2
De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Lid 3
De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 4
De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Lid 5
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan. Lid 6
De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij:
a. zijn arbeid verricht;
b. passende arbeid verricht;
c. werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;
d. ▇▇▇▇▇▇▇▇ volgt in het kader van zijn reïntegratie. Lid 7
De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Lid 8
De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste 50% van zijn formele ar- beidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en de toegekende salaristoe- lage(n) zoals genoemd in het eerste lid.
De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.
Lid 10
De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallings- verlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.
Lid 1 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Lid 12
De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) zoals genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.
Lid 13 Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op beloning tijdens arbeidsongeschikt- heid.
Lid 14
Het bestuur zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald.
Artikel 7:4 Onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof
De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.
Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
Lid 1
Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend. De basis voor de berekening van de aanvul- lende uitkering is de uitkering van het UWV waarop geen maatregel conform artikel 88 WIA is toegepast. Lid 2
De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeer- derd met een aan de ambtenaar toegekend arbeidsongeschiktheidspensioen van de Stichting Pensioen- fonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en het opgebouwde IKB die de ambtenaar had in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: | 95% |
65 tot 80% | 68,875% |
55 tot 65% | 57% |
45 tot 55% | 47,5% |
35 tot 45% Lid 3 | 38% |
De aanvullende uitkering eindigt:
a. indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Lid 4
De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het bestuur op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of het aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidspensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Lid 5 De aanvullende uitkering wordt niet in mindering gebracht op de financiële compensatie die de gewezen ambtenaar heeft op grond van een regeling die compensatie biedt voor blijvende lichamelijke invalidi- teit/arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio.
Lid 6
De ambtenaar die tevens zelfstandig ondernemer is maakt aanspraak op financiële compensatie voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio zoals uitge- werkt in een regeling.
Artikel 7:6 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:7 Vergoeding kosten bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
Lid 1 Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid, alsmede bij blijvende lichamelijke invaliditeit/arbeidsongeschiktheid of overlijden ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio komt de ambtenaar in aanmerking voor vergoeding van noodzakelijk gemaakte medische kosten, die hieruit ontstaan en voor zijn rekening blijven.
Lid 2
De aanspraken voortvloeiend uit het eerste lid zijn uitgewerkt in een regeling.
Artikel 7:8 Nadere regels
Het bestuur kan nadere regels stellen met uitzondering van het bepaalde in artikel 7:5 vijfde en zesde lid en artikel 7:7.
Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen
Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toegekende salaristoelage(n), ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende salari- stoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.
Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.
Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte en toepassing van artikel 2:7a
De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de pe- riode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.
Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties
Artikel 7:9 Verplichtingen college
Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek
Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling
Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid
Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte
Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband
Artikel 7:9 Verplichtingen bestuur
Lid 1
Het bestuur is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.
Lid 2
Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de veiligheidsregio geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het bestuur de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de veiligheidsregio.
Lid 3
Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het bestuur in overeenstem- ming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijge- steld.
Lid 4
Het bestuur stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.
Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte De ambtenaar verstrekt op verzoek van het bestuur alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.
Artikel 7:10:1 Vervallen
Vervallen
Artikel 7:10:2 Vervallen
Vervallen
Artikel 7:10:3 Vervallen
Vervallen
Artikel 7:10:4 Vervallen
Vervallen
Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
Lid 1
De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan, door het bestuur of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het bestuur of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;
b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;
c. zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen. Lid 2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het bestuur of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.
Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek
Lid 1
De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbodienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:
a. of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens ziekte;
b. in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;
c. of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;
d. of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;
e. of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
f. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;
g. wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat. Lid 2
Het bestuur kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.
Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling
Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 en geen opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, bestaat:
a. indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
b. indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling
Lid 1 De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3 en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:
a. weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbodienst in te stellen medische onderzoek na te komen;
b. blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen ofte blijven stellen;
c. blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;
d. zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
e. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
f. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het bestuur daartoe toestemming heeft verleend;
g. weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;
h. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
i. weigert om - op verzoek van het bestuur - informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoe- ring van dit hoofdstuk.
Lid 2
De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 1.
Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
Lid 1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.
Lid 2 De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:
a. weigert mee te werken aan, door het bestuur of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;
b. weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel b;
c. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is.
Lid 3
De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), en de opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 2.
Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
Lid 1 Het bestuur kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.
Lid 2
Voor zover het bestuur van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende sa- laristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32 van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de on- geschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.
Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid
Lid 1
Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:
a. door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;
b. door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;
c. bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.
Lid 2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.
Lid 3
Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restver- diencapaciteit benut.
Lid 4
Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.
Lid 5
Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.
Lid 6 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.
Lid 7 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallings- verlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Lid 8
De termijn van 24 maanden wordt verlengd:
a. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en
b. met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
Lid 9
De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdienca- paciteit vast te stellen.
Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte
Lid 1
Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het bestuur daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.
Lid 2
Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbodienst of van het UWV.
Lid 3
De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.
Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid
Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.
Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband
Lid 1
Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het bestuur uitgebracht advies door de arbodienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de toe- gekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.
Lid 2
Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend toelagen, onder welke benaming ook, die de ambtenaar ontvangt die geacht kunnen worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 5 Bijzondere situaties
Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering
Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA Artikel 7:22 Arbeidsongeschiktheidspensioen ABP
Artikel 7:23 WAJONG/WAZ
Artikel 7:23:1 Vervallen
Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering
Lid 1
Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.
Lid 2
Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.
Lid 3
Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW- uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.
Lid 4
De ambtenaar verleent op verzoek van het bestuur alle medewerking aan het via het bestuur tot uitbe- taling laten komen van de ZW-uitkering.
Lid 5
Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.
Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering
Indien de ambtenaar ter zake van het dienstverband waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.
Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA
Lid 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsonge- schiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitke- ring.
Lid 2
Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstverbanden, wordt die uitkering naar rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstverband op grond waarvan de betaling wordt gedaan.
Lid 3
Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA- uitkering.
Lid 4
Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit rede- lijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.
Lid 5
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA- uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.
Lid 6
De ambtenaar verleent op verzoek van het bestuur alle medewerking aan het via het bestuur tot uitbe- taling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.
Artikel 7:22 Arbeidsongeschiktheidspensioen ABP
Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Artikel 7:23 Wajong/WAZ
Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een Wajong- of WAZ-uit- kering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.
Artikel 7:23:1 Vervallen
(Vervallen)
Paragraaf 6 Tegemoetkoming kosten zorgverzekering
Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten Artikel 7:24a Zorgverzekering
Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden Artikel 7:25b Vervallen
Artikel 7:25:1 Vervallen
Artikel 7:25:2 Vervallen
Artikel 7:25:3 Vervallen
Artikel 7:25:4 Vervallen
Artikel 7:24 Collectieve zorgverzekering
De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet. Tot 1 januari 2026 kunnen ambte- naren in de zin van deze regeling hier mede gebruik van maken.
Artikel 7:24a Vervallen
Vervallen
Artikel 7:25 Vervallen
Vervallen
Artikel 7:25a Vervallen
Vervallen
Artikel 7:25b Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:25:1 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:25:2 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:25:3 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 7:25:4 Vervallen
(Vervallen)
Paragraaf 7 Overige bepalingen
Artikel 7:26 Overgangsbepaling
Artikel 7:27 Garantie-uitkering
Artikel 7:28 Overgangsartikel
Artikel 7:28:1 Overgangsartikel Artikel 7:28a Overgangsartikel Artikel 7:28b Overgangsartikel
Artikel 7:26 Overgangsbepaling
Lid 1
Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op sala- risbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.
Lid 2
De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.
Artikel 7:27 Garantie-uitkering
Lid 1
De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 ja- nuari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare
arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdienca- paciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.
Lid 2
De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronke- lijke functie 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie.
Lid 3
Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt uit het dienst- verband waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeits- pensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.
Lid 4
Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde, of de verloren gegane inkomsten.
Lid 5
De garantie-uitkering eindigt:
a. met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. bij ontslag.
Artikel 7:28 Overgangsartikel
Lid 1
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.
Lid 2
Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.
Lid 3
Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.
Lid 4
Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006.
Lid 5
Het bestuur stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid be- rekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.
Artikel 7:28:1 Vóór 1-1-2004 arbeidsongeschikt
Lid 1
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.
Lid 2
Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005 , van toepassing.
Artikel 7:28a Vóór 1-7-2007 arbeidsongeschikt
Lid 1
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.
Lid 2
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.
Artikel 7:28b Vóór 1-8-2008 arbeidsongeschikt
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.
Artikel 8:1 Ontslag op verzoek
Lid 1
Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend. Lid 2
Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend. Lid 3
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.
Artikel 8:1:1 Opzegtermijn ontslag op eigen verzoek
Lid 1
Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.
Lid 2
Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken. Lid 3
Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.
Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
Lid 1
De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
Lid 2
Het bestuur kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.
Artikel 8:2:1 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 8:2a Opzegtermijn ontslag na AOW-gerechtigde leeftijd
Lid 1
De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de veiligheidsregio, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid 2 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.
Lid 2
In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13 weken.
Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie
Lid 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.
Lid 2
Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend. Lid 3
Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.
Artikel 8:3:1 Raadpleging Commissie
Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in ar- tikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.
Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
Lid 1
Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:
a. arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;
b. arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering. Lid 2
Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervul- ling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.
Lid 3
Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.
Lid 4
Het bestuur betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbe- oordeling.
Lid 5
Het bestuur stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.
Lid 6
Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn geno- men.
Lid 7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het bestuur, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken. Lid 8
Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van on- geschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.
Lid 9
Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van on- geschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Lid 10
De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:
a. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en
b. met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Lid 1
Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.
Lid 2
Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden:
b. het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de veiligheidsregio passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.
Lid 3
Het bestuur betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een moge- lijke herbeoordeling.
Lid 4
Het bestuur stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.
Lid 5
Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn geno- men.
Lid 6 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het bestuur, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken. Lid 7
Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap vooraf- gaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallings- verlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.
Lid 8
Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelij- kerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Lid 9
De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd
a. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en
b. met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
Lid 10
Indien voor de ambtenaar buiten de organisatie van de veiligheidsregio passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van onge- schiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.
Artikel 8:5a Ontslag wegens niet nakomen re-integratieverplichtingen
Lid 1
De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door het bestuur of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het bestuur of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;
b. arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het bestuur hem in de gelegenheid stelt;
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;
d. een uitkering op grond van de WIA aan te vragen. Lid 2
Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het bestuur een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.
Artikel 8:5:1 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
Lid 1
Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.
Lid 2
Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.
Artikel 8:7 Overige ontslaggronden
Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:
a. verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt;
b. aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de functie zou uitsluiten;
c. staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
f. het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 8:7:1 ▇▇▇▇▇▇ ontslag
Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.
Artikel 8:8 ▇▇▇▇▇▇ ontslag andere gronden
Lid 1
Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.
Lid 2
Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.
Artikel 8:8:1 Inhoud ontslagbesluit
De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.
Artikel 8:9 ▇▇▇▇▇▇ ontslag na bekleden publiekrechtelijke functie
Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk bestuur, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bestuur niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.
Artikel 8:10 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 8:10:1 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 8:11 Vervallen
Vervallen (per 1-4-2016)
Artikel 8:11:1 Vervallen
Vervallen
Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding
Lid 1
De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.
Lid 2
De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien
na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.
Lid 3
De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.
Lid 4
De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.
Lid 5
Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.
Lid 6
Het bestuur kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbe- paalde tijd nadere regels stellen.
Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding
Lid 1
De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.
Lid 2
De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.
Artikel 8:12:2 Opzegtermijn tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding onbepaalde tijd
Lid 1 Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:
a. van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;
b. van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft ge- duurd;
c. van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.
Lid 2
Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf
Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.
Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
Lid 1
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. wet:
Wet op de ondernemingsraden;
b. ondernemingsraad:
de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;
c. ambtenaar:
de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet. Lid 2
Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:
a. wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;
b. wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;
c. wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;
d. van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;
e. van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.
Lid 3
Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toege- laten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aange- wezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstel- lingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. Lid 4
In afwijking van het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.
Lid 5
Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.
Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel
Lid 1
Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het bestuur worden geschorst:
a. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;
b. wanneer tegen hem volgens de ▇▇▇▇▇▇▇ geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;
c. wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;
d. in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst. Lid 2
Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:
a. een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;
b. een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;
c. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.
Artikel 8:15:2 Salaris bij schorsing
Lid 1
Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.
Lid 2
Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot de in de strafaanzegging of - oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de doorbetaling geheel gestaakt.
Lid 3
Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen. Lid 4
Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.
Lid 5
De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uit- betaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.
Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening
Lid 1
Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.
Lid 2
Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.
Lid 3
▇▇▇▇▇▇▇ aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.
Artikel 8:16:1 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
Artikel 8:16:3 Dienstwoning na overlijden
(verplaatst naar hoofdstuk 18)
Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur
Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.
Artikel 8:18 Overgangsbepaling
Lid 1
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.
Lid 2
Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.
Lid 3
Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.
Lid 4
Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.
Artikel 8:19 Vóór 1-7-2007 arbeidsongeschikt
Lid 1
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.
Lid 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.
Artikel 8:20 Vóór 1-8-2008 arbeidsongeschikt
Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.
Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 9 is vervallen (per1-4-2016)
Artikel 9a:1 Algemeen
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 .
Artikel 9a:2 Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. bezwarende functie:
een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in rooster- diensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;
b. de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de veiligheidsregio of buiten de organisatie van de veiligheids- regio die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.
Artikel 9a:3 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 9a:4 Het loopbaanplan
Lid 1
De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende functie. Lid 2
De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de veiligheidsregio.
Artikel 9a:5 Afspraken loopbaanplan
Lid 1
In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende bepalingen. Lid 2
Het bestuur en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de afspraken vast over de loop- baanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen.
Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om oplei- dingen die extern erkend worden.
Lid 3
Het bestuur en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.
Lid 4
Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld. Lid 5
Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bij- gesteld.
Lid 6
Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het bestuur als met de be- langen van de ambtenaar.
Lid 7
In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het bestuur die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.
Lid 8
De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het bestuur vergoed.
Lid 9
In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:
a. het aanspreekpunt binnen de organisatie;
b. het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen wordt;
c. de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit plaatsvindt;
d. de te maken kosten;
e. de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te volgen scholing;
f. de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;
g. de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of scholing;
h. de planning van vervolgafspraken;
i. de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;
j. eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte af- spraken.
Artikel 9a:6 Terugbetaling
De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het bestuur biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten dan wel opleidingen, die door het bestuur zijn vergoed, terug te betalen.
Tweede loopbaan binnen / buiten de veiligheidsregio
Lid 1 Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan binnen of buiten de veiligheidsregio vindt definitief plaats.
Lid 2
Definitieve plaatsing binnen de veiligheidsregio vindt plaats door aanpassing van de aanstelling. Lid 3
Definitieve plaatsing buiten de veiligheidsregio vindt plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.
Artikel 9a:8 Disciplinaire straf
Lid 1 De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.
Lid 2
Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag verleend.
Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan
Lid 1
De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam wanneer:
a. de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het bestuur zijn verplichtingen uit het loop- baanplan niet nakomt;
b. de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het bestuur en de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.
Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken. Lid 2
Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen wordt. Lid 3
Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.
Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering
Lid 1
De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering.
Lid 2
De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat betrokkene in een bezwa- rende functie werkzaam is geweest.
Lid 3
Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de overbruggingsuitkering is 24 maanden.
Lid 4
Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.
Lid 5
De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.
Lid 6 De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.
Lid 7
De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.
Artikel 9a:11 Garantietoeslag, afbouwtoelage en afkoopbedrag
Lid 1
In dit artikel wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: het inkomen dat wordt verkregen door de optelsom van:
I. het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 3:3 en paragraaf 3 van hoofdstuk 3;
II. de IKB-onderdelen, bedoeld in artikel 3:28 lid 2 sub a en b;
III. de TOR, bedoeld in artikel 3:37;
IV. de toelagen en vergoedingen bedoeld in hoofdstuk 20 en de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede loopbaan.
Lid 2
De ambtenaar die binnen de organisatie van de veiligheidsregio de tweede loopbaan begint, krijgt een garantietoeslag ter hoogte van het negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze voor de veiligheidsregio’s wordt overeengekomen.
Lid 3
Op de garantietoeslag wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele (salaris)toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garan- tietoeslag de berekeningsgrondslag overstijgt. De berekeningsgrondslag wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze binnen de veiligheidsregio wordt overeengekomen.
Lid 4
De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van de veiligheidsregio de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage bedraagt:
a. het eerste jaar 100%;
b. het tweede jaar 75%;
c. het derde jaar 50%;
d. het vierde jaar 25%.
De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de binnen de veiligheidsregio wordt overeengekomen.
Lid 5
Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoeslag en de afbouwtoelage de berekeningsgrondslag overstijgt. De berekeningsgrondslag wordt niet geïn- dexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze binnen de veiligheidsregio wordt overeengeko- men.
Lid 6
De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de veiligheidsregio ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil tussen de berekeningsgrondslag (op jaarbasis) en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij in- diensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.
Artikel 9b:0:0:1 Cafetariaregeling FLO
In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 9b heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Cafetariaregeling FLO vastgesteld.
Klik hier om naar deze regeling te gaan.
Vervallen hoofdstuk
Vervallen (per 01-10-2023)
Vervallen hoofdstuk
Vervallen (per 1-4-2012)
Artikel 9d:1 Vervallen
Vervallen (per 1-7-2019) Vervallen hoofdstuk Vervallen (per 01-10-2023)
Vervallen hoofdstuk
Vervallen (per 01-10-2023)
Paragraaf 1 Algemeen
Artikel 9g:1 Werkingssfeer
Artikel 9g:2 Begripsomschrijvingen Artikel 9g:3 Doel
Artikel 9g:4 Limitatieve opsomming toeslagen Artikel 9g:5 Nadeel toerekenen en vaststellen
Artikel 9g:1 Werkingssfeer
Lid 1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar bedoeld in hoofdstuk 9i.
Artikel 9g:2 Begripsomschrijvingen
Lid 1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Transitie levenslooptegoed:
de transitie van de bruto levenslooptegoeden bedoeld in artikel 9e:2 zoals dat artikel luidde op 31 de- cember 2021, leden drie, vier en vijf, in de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 van de ambtenaar die het LOGA-pad volgt;
b. Versneld sparen levensloop: de extra werkgeversbijdrage levensloop, bedoeld in artikel 9e:14 zoals dat artikel luidde op 31 december 2021;
c. FLO-functie:
de functie waaruit de ambtenaar aanspraak ontleent aan het FLO-overgangsrecht, bedoeld in hoofdstuk 9f zoals dat artikel luidde op 30 september 2023;
d. Toeslag:
de toeslag, bedoeld in artikel 9g:4;
e. Toeslagpartner:
de persoon of personen waarvan het inkomen meetelt ter bepaling van de hoogte van de toeslag;
f. LOGA-pad:
het LOGA-pad, bedoeld in artikel 9e:2 zoals dat artikel luidde op 31 december 2021, tweede lid;
g. Nadeel:
het financiële nadeel dat de ambtenaar heeft als gevolg van de transitie van de levenslooptegoeden of de betaling van het versneld spaarbedrag levensloop, ongeacht het jaar waarin de ambtenaar dit heeft;
h. Voordeel:
het financiële voordeel dat de ambtenaar ondervindt als gevolg van de transitie van de levensloopte- goeden of de betaling van het versneld spaarbedrag levensloop;
i. Rekentool:
het door Deloitte ontwikkelde VNG-rekenmodel inkomstenbelasting;
j. Drempelbedrag:
0,5 % van het inkomen;
k. Inkomen:
het verzamelinkomen aanslag inkomstenbelasting of het toetsingsinkomen op basis waarvan de aan- spraak op een toeslag wordt beoordeeld zonder de bedragen transitie levenslooptegoed en het versneld sparen levensloop;
l. Neveninkomsten:
inkomsten uit of in verband met arbeid niet zijnde de inkomsten uit de FLO-functie;
m. Middelen:
de regeling van de Belastingdienst om mensen met een wisselend inkomen tegemoet te komen.
Artikel 9g:3 Doel
Lid 1
Het doel van dit hoofdstuk is het bieden van compensatie van nadeel blijkende uit een hogere aanslag inkomstenbelasting of het geheel of gedeeltelijk wegvallen van toeslagen hieronder begrepen het niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking komen voor toeslagen als aangegeven in en onder de voorwaarden van dit hoofdstuk.
Lid 2
Voor compensatie komt in ieder geval niet in aanmerking een verhoging van alimentatie of contributie.
Artikel 9g:4 Limitatieve opsomming toeslagen
Lid 1
De toeslagen of vergelijkbare toeslagen die voor compensatie in aanmerking kunnen komen zijn: huurtoeslag als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
kindgebonden budget als bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget; kinderopvangtoeslag als bedoeld in het Besluit Kinderopvang; zorgtoeslag als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag;
scheef wonen/-huur als bedoeld in de Wet Huurverhoging;
studiefinanciering kinderen van de ambtenaar als bedoeld in de Wet Studiefinanciering 2000, of reiskostenvergoeding studerende kinderen (Dans- en muziekopleiding) als bedoeld in de Subsidieregeling reiskosten DAMU-leerlingen.
Artikel 9g:5 Nadeel toerekenen en vaststellen
Lid 1 Het nadeel wordt toegerekend aan het kalenderjaar waarin de transitie levenslooptegoed of de betaling van het bedrag versneld sparen levensloop dat het nadeel veroorzaakt, heeft plaatsgevonden.
Lid 2
Voor ieder kalenderjaar 2019, 2020 en 2021 wordt afzonderlijk het nadeel respectievelijk het voordeel als bedoeld in artikel 9g:9 en 9g:10 vastgesteld. Is sprake van een nadeel dan kan een drempelbedrag van toepassing zijn als bedoeld in artikel 9g:12.
Paragraaf 2 Voorwaarden
Artikel 9g:6 Aanleveren gegevens - algemeen Artikel 9g:7 Aanleveren gegevens - toeslagen
Artikel 9g:6 Aanleveren gegevens - algemeen
Lid 1
De ambtenaar die voor compensatie van een nadeel over de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 in aan- merking wil komen overlegt daartoe alle gevraagde noodzakelijk geachte gegevens zijnde in ieder geval,
a. de ingediende aangiftes en de definitief opgelegde aanslagen inkomstenbelasting 2019, 2020 en 2021, en
b. de gesimuleerde aangiftes inkomstenbelasting 2019, 2020 en 2021 uitgaande van de aangiftes en aanslagen bedoeld onder a zonder de uitbetaalde bedragen transitie levenslooptegoed of versneld sparen levensloop op basis van de door de werkgever beschikbaar gestelde alternatieve jaaropgaves. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b overlegt de ambtenaar die neveninkomsten heeft van meer dan € 9000 bruto of een vermogen groter dan het heffingsvrij vermogen
a. gesimuleerde aangiftes inkomstenbelasting 2019, 2020 en 2021 uitgaande van de aangiftes en aan- slagen bedoeld in artikel 9g:6, lid 1, onder a met maximaal € 9000 bruto aan neveninkomsten of het vermogen verminderd met de toename van het vermogen door de uitbetaalde bedragen transitie le- venslooptegoed of het versneld sparen levensloop, en
b. gesimuleerde aangiftes inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 9g:6, lid 2, onder a zonder de uit- betaalde bedragen transitie levenslooptegoed of versneld sparen levensloop op basis van de door de werkgever beschikbaar gestelde alternatieve jaaropgaves.
Artikel 9g:7 Aanleveren gegevens - toeslagen
Lid 1
De ambtenaar die voor compensatie van een nadeel, veroorzaakt door het geheel of gedeeltelijk weg- vallen van een of meerdere toeslagen hieronder begrepen het niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking komen voor toeslagen, in aanmerking wil komen overlegt aanvullend aan de gegevens bedoeld in artikel 9g:6 in ieder geval
a. de beschikking waaruit blijkt dat de toeslag is ingetrokken, verminderd of niet wordt toegekend, en
b. de berekening waaruit de hoogte van een toeslag blijkt als geen sprake zou zijn geweest van de transitie levenslooptegoed of versneld sparen levensloop.
Lid 2
Kan geen beschikking of berekening bedoeld in artikel 9g:7, eerste lid overlegd worden, dan maakt de ambtenaar op andere wijze het door hem geleden nadeel aannemelijk.
Paragraaf 3 Berekening nadeel/voordeel per kalenderjaar Artikel 9g:8 Berekening nadeel/voordeel inkomstenbelasting Artikel 9g:9 Berekening nadeel toeslagen
Artikel 9g:10 Berekening nadeel/voordeel per kalenderjaar
Artikel 9g:8 Berekening nadeel/voordeel inkomstenbelasting
Lid 1
Het nadeel of voordeel inkomstenbelasting in een kalenderjaar is het verschil tussen
a. de aanslag en de gesimuleerde aangifte, bedoeld in artikel 9g:6, eerste lid, onder a en artikel 9g:6, eerste lid, onder b, of
b. de gesimuleerde aangiftes, bedoeld in artikel 9g:6, tweede lid, onder a en b.
Artikel 9g:9 Berekening nadeel toeslagen
Lid 1 Het nadeel wordt per toeslag vastgesteld en bedraagt het verschil tussen de beschikking en de berekening in een kalenderjaar als bedoeld in artikel 9g:7.
Artikel 9g:10 Berekening nadeel/voordeel per kalenderjaar
Lid 1
Het nadeel of voordeel wordt per kalenderjaar vastgesteld en betreft per kalenderjaar de som van
a. het voordeel of nadeel blijkend uit artikel 9g:8, en
b. het nadeel blijkend uit artikel 9g:9 per toeslag.
Paragraaf 4 Drempelbedrag
Artikel 9g:11 Drempelbedrag
Artikel 9g:11 Drempelbedrag
Lid 1
Een drempelbedrag is van toepassing als de berekening van artikel 9g:10 een nadeel oplevert. Lid 2
Het drempelbedrag bedoeld in artikel 9g:11, eerste lid wordt voor ieder vastgesteld nadeel bedoeld in artikel 9g:8 of 9g:9 bepaald per kalenderjaar.
Lid 3 In afwijking van artikel 9g:11, tweede lid is geen drempelbedrag aan de orde als sprake is van een nadeel inkomstenbelasting, als bedoeld in artikel 9g:8, waarin neveninkomsten zijn opgenomen.
Lid 4
Bij samenloop van vastgestelde nadelen bedoeld in artikel 9g:8 of 9g:9 wordt het drempelbedrag voor ieder nadeel berekend naar rato van het vastgestelde totale nadeel in dat kalenderjaar. De som van deze drempelbedragen is het drempelbedrag voor dat kalenderjaar.
Lid 5
Wanneer het berekend nadeel als bedoeld in artikel 9g:8 na middelen lager is dan het toegekende compensatiebedrag, vindt herrekening van het compensatiebedrag plaats zonder daarbij het drempel- bedrag toe te passen.
Paragraaf 5 Compensatie
Artikel 9g:12 Compensatiebedrag
Artikel 9g:13 Uitbetaling compensatiebedrag
Artikel 9g:12 Compensatiebedrag
Lid 1
Het toe te kennen compensatiebedrag bedraagt de som van het vastgestelde nadeel of voordeel per kalenderjaar 2019, 2020 en 2021, bedoeld in artikel 9g:10, verminderd met het drempelbedrag, bedoeld in artikel 9g:11 voor dat kalenderjaar.
Artikel 9g:13 Uitbetaling compensatiebedrag
Lid 1
De netto compensatie wordt eenmalig aan de ambtenaar uitbetaald. Lid 2
Een maatwerkoplossing wordt geboden als de ambtenaar blijvend financiële schade lijdt als gevolg van de transitie levenslooptegoed of versneld sparen levensloop.
Lid 3
Indien de uitbetaling van het compensatiebedrag leidt tot een nadeel dan wordt dit nadeel niet gecom- penseerd.
Paragraaf 6 Overige en slotbepalingen
Artikel 9g:14 Toepassen middelen na toekenning compensatiebedrag Artikel 9g:15 Toetsing
Artikel 9g:16 Hardheidsclausule
Artikel 9g:14 Toepassen middelen na toekenning compensatiebedrag
Lid 1 De medewerker die in aanmerking is gekomen voor een compensatieregeling stelt de werkgever terstond in kennis van een nadien gehonoreerd verzoek tot middelen door de Belastingdienst, door het overleggen van een afschrift van de uitspraak op het verzoek.
Lid 2
Als middeling leidt tot een teruggave van belastingbedragen die is toe te schrijven aan de transitie le- venslooptegoed, het versneld sparen levensloop of de afkoop FLO60 als bedoeld in 9f:4 zoals dat artikel luidde op 30 september 2023, verlaagt deze teruggave het drempelbedrag, toegeschreven aan dat ka- lenderjaar, met maximaal de hoogte van dat drempelbedrag.
Lid 3
Na ontvangst van uitspraak van de Belastingdienst op het verzoek tot middelen beziet de commissie als bedoeld in 9g:15 of en in hoeverre deze uitspraak aanleiding geeft te komen tot een herziening van het eerder uitgebrachte advies.
Lid 4 Als de herziening van het eerder uitgebrachte advies leidt tot een lager toe te kennen compensatiebedrag, voegt de werkgever het verschil tussen de twee compensatiebedragen toe aan het virtueel Netto FLO Spaartegoed (NFST).
Lid 5
Herrekening na middelen geeft geen aanspraak op een hoger vast te stellen compensatiebedrag. Lid 6
Voor de toepassing van dit artikel wordt het resultaat van de middeling in gelijke delen verdeeld over de kalenderjaren waar de middeling op is toegepast en zijn toe te rekenen tot de kalenderjaren 2019, 2020 of 2021.
Artikel 9g:15 Toetsing
Lid 1
Een centraal ingestelde paritair samengestelde commissie toetst de door de ambtenaar aangeleverde gegevens om in aanmerking te komen voor compensatie en brengt een zwaarwegend advies uit.
Lid 2
Steekproefsgewijs toetst een externe onafhankelijke partij deze adviezen.
Artikel 9g:16 Hardheidsclausule
Lid 1
In individuele gevallen kan van deze regeling worden afgeweken als toepassing ervan uit oogpunt van behoorlijk bestuur tot een voor de ambtenaar onevenredig nadelig besluit zou leiden.
Paragraaf 1 Algemeen
Artikel 9h:1 Werkingssfeer
Artikel 9h:2 Begripsomschrijvingen Artikel 9h:3 Methodische gelijkschakeling
Artikel 9h:4 Doel
Artikel 9h:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in hoofdstuk 9i.
Artikel 9h:2 Begripsomschrijvingen
Lid 1
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder:
a. rekening:
de rekening geopend door de ambtenaar ter vervanging van de levensloopverzekering en de netto spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance;
b. grootbanken:
ABN/AMRO, RABO, ING of SNS;
c. kosten: de per jaar vastgestelde hoogste kosten van de goedkoopste rekening waarop de werkgever kan storten, aangeboden door één van de vier grootbanken;
d. gemiddelde rentepercentage:
het per kalenderjaar vastgestelde gemiddelde rentepercentage van de vier grootbanken van de goed- koopste rekening waarop de werkgever kan storten;
▇. ▇▇▇▇▇ FLO-spaartegoed:
het jaarlijks door de werkgever per 1 januari van ieder kalenderjaar vastgestelde virtuele tegoed;
f. startsaldo spaartegoed 2022:
het netto FLO-spaartegoed op 1 januari 2022;
g. nettoresultaat:
het bedrag dat resteert na een bruto-netto berekening van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 9i:2 aanhef en onder a, uitgaande van het vigerende fiscaal regime en een pensioengevend inkomen gelijk aan deze berekeningsgrondslag;
h. doelsaldo Netto FLO-spaartegoed:
het bedrag te bereiken in de maand voorafgaand aan de leeftijd van 55 jaar van 225% van twaalf maal het nettoresultaat;
Artikel 9h:3 Methodische gelijkschakeling
De ambtenaar die het LOGA-pad, bedoeld in artikel 9e:2 zoals dat artikel luidde op 31 december 2021, niet of niet meer volgt wordt methodisch gelijk behandeld met de ambtenaar die het LOGA-pad heeft gevolgd en wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk uitgegaan van bedragen die hij gehad zou hebben als hij het LOGA-pad wel zou hebben gevolgd.
Artikel 9h:4 Doel
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld ten behoeve van de gedeeltelijke financiering van de periode van volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3, eerste lid.
Paragraaf 2 Netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:5 Opgave Netto FLO-spaartegoed Artikel 9h:6 Netto FLO-spaartegoed- algemeen
Artikel 9h:7 Aanspraak werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:8 Vaststelling hoogte werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:5 Opgave Netto FLO-spaartegoed
Aan het begin van ieder kalender jaar, ook tijdens de periode van buitengewoon verlof, bedoeld in ar- tikel 9i:3, ontvangt de ambtenaar een opgave van de hoogte van zijn netto FLO-spaartegoed.
Artikel 9h:6 Netto FLO-spaartegoed- algemeen
Het Netto FLO-spaartegoed op 1 januari van een kalenderjaar bestaat uit het startsaldo spaartegoed 2022 of het laatst vastgestelde bedrag Netto FLO-spaartegoed
a. verminderd met de kosten,
b. verminderd met de vastgestelde maandelijkse opnames uit het Netto FLO-spaartegoed, bedoeld in artikel 9h:10, in het afgelopen kalenderjaar,
c. vermeerderd of verminderd met het gemiddelde rentepercentage van dat kalenderjaar en
Artikel 9h:7 Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 9h:7, Aanspraak werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed, is vervallen per 01-01-2024.
Artikel 9h:8 Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 9h:8, Vaststelling hoogte werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed, is vervallen per 01- 01-2024.
Paragraaf 3 Inzet Netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:9 Inzet Netto FLO-spaartegoed vanaf ingangsdatum volledig buitengewoon verlof Artikel 9h:10 Hoogte inzet Netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:11 Keuze inzet netto FLO-spaartegoed
Artikel 9h:9 Inzet Netto FLO-spaartegoed vanaf ingangsdatum volledig buitengewoon verlof Het Netto FLO-spaartegoed wordt ter financiering van de 75% netto aanspraak ingezet in de periode van volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3, onder de voorwaarden als in deze paragraaf bepaald.
Artikel 9h:10 Hoogte inzet Netto FLO-spaartegoed 1
Lid 1
Ter vaststelling van de hoogte van de maandelijkse inzet van het Netto FLO-spaartegoed bij aanvang van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3 derde lid, wordt het laatst vastgestelde saldo Netto FLO-spaartegoed gedeeld door de duur van het volledig buitengewoon verlof in maanden. Lid 2
Ligt de aanvang van het volledig buitengewoon verlof voor 1 januari 2022 dan wordt ter bepaling van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, ingaande 1 januari 2022 het startsaldo spaartegoed 2022 gedeeld door de resterende uitkeringsduur in maanden.
Lid 3
Jaarlijks wordt op basis van het per 1 januari vastgestelde Netto FLO-spaartegoed het bedrag van de inzet, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door dit spaartegoed te delen door de resterende uitkerings- duur in maanden.
Lid 4
Het vastgestelde bedrag van de maandelijkse inzet vult werkgever aan tot 75% netto, bedoeld in artikel 9i:3, eerste lid, en maandelijks gebruteerd aan de ambtenaar uitbetaald.
Lid 5
In de laatste maand van het volledig buitengewoon verlof vindt de eindafrekening plaats.
Artikel 9h:11 Keuze inzet netto FLO-spaartegoed
Lid 1
In afwijking van het bepaalde in artikel 9h:10 kan de ambtenaar voor aanvang van de periode van bui- tengewoon verlof de keuze maken het Netto FLO-spaartegoed volledig in te zetten in de periode direct voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in artikel 9i:20.
Lid 2
De voorlopige vaststelling van de duur van de periode, bedoeld in het eerste lid, in maanden geschiedt bij aanvang van het volledig buitengewoon verlof door het laatst vastgestelde Netto FLO-spaartegoed te delen door het bedrag van de 75% netto, bedoeld in artikel 9i:3, eerste lid.
Lid 3
Ligt de aanvang van het volledig buitengewoon verlof voor 1 januari 2022 dan geschiedt de voorlopige vaststelling van de duur van de periode in maanden, bedoeld in het eerste lid, door het startsaldo spaartegoed 2022 te delen door het bedrag van de 75% netto, bedoeld in artikel 9i:3, eerste lid.
Lid 4
De berekening van de duur van de periode, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt definitief vastge- steld uiterlijk 6 maanden voor de voorlopig berekende ingangsdatum op grond waarvan vaststelling van de definitieve periode van het inzetten van het volledige Netto FLO-spaartegoed geschiedt.
Lid 5
Vanaf de ingangsdatum, bepaald op grond van het vierde lid, wordt jaarlijks op basis van het per 1 ja- nuari vastgestelde Netto FLO-spaartegoed het bedrag van de inzet van het netto FLO-spaartegoed vastgesteld door dit spaartegoed te delen door de resterende uitkeringsduur in maanden als in het vierde lid bepaald.
Lid 6
Het vastgestelde bedrag van de maandelijkse inzet, bedoeld in het vijfde lid, vult werkgever aan tot 75% netto, bedoeld in artikel 9i:3, eerste lid, en betaalt dit maandelijks gebruteerd aan de ambtenaar uit.
Lid 7
In de laatste maand van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3, derde lid, vindt de eindafrekening plaats.
Paragraaf 4 Vervallen aanspraak, afkoop en pensioenopbouw
Artikel 9h:12 Vervallen aanspraak werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed Artikel 9h:13 Afkoop
Artikel 9h:14 Pensioenopbouw
Artikel 9h:12 Vervallen hoofdstuk
Hoofdstuk 9h:12, Vervallen aanspraak werkgeversbijdrage Netto FLO-spaartegoed, is vervallen per 01- 01-2024.
Artikel 9h:13 Afkoop en tegemoetkoming
Lid 1
De ambtenaar die komt te overlijden of die de bezwarende functie verlaat heeft recht op een afkoopbe- drag tenzij het verlaten van de bezwarende functie plaatsvindt op grond van artikel 8:13.
Lid 2
Indien het verlaten van de bezwarende functie of overlijden plaatsvindt vóór de leeftijd van 55 jaar be- draagt de hoogte van het afkoopbedrag het verschil tussen 225% van twaalf maal het nettoresultaat berekend op de datum van het verlaten van de bezwarende functie of het overlijden en het saldo netto FLO-spaartegoed berekend op die datum.
Lid 3
Het afkoopbedrag behoort niet tot
a. vervallen per 1 januari 2024;
b. het salaris, bedoeld in artikel 3:2;
c. de berekeningsgrondslag bedoeld in 9i:2. Lid 4
Indien het verlaten van de bezwarende functie of overlijden plaatsvindt vanaf de leeftijd van 55 jaar bedraagt de hoogte van het afkoopbedrag het verschil tussen het doelsaldo Netto FLO-spaartegoed en het saldo netto FLO-spaartegoed berekend op de datum van het verlaten van de bezwarende functie of het overlijden.
Lid 5
Indien het verlaten van de bezwarende functie of overlijden plaatsvindt na de start van de periode van volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in artikel 9i:3 wordt het afkoopbedrag zoals bedoeld in lid 4 verlaagd. Het bedrag van de verlaging is het doelsaldo Netto FLO-spaartegoed gedeeld door het aantal maanden aanspraak volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in 9i:3 vermenigvuldigd met het aantal maanden genoten volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in 9i:3.
Lid 6
Indien het verlaten van de bezwarende functie plaatsvindt op grond van artikel 8:13 bestaat recht op een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming betreft het bedrag dat de medewerker in december 2023 ontving op grond van artikel 9h:7 lid 1 zoals dat luidde op 31 december 2023 vermenig- vuldigd met het aantal maanden tussen 1 januari 2024 en het moment van het verlaten van de bezwa- rende functie tot aan maximaal de eerste van de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 54 jaar en 6 maanden bereikt.
Lid 7
Indien het verlaten van de bezwarende functie op grond van artikel 8:13 plaatsvindt na de start van de periode van volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in artikel 9i:3 wordt de tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 6 verlaagd. Het bedrag van de verlaging is het doelsaldo Netto FLO-spaartegoed gedeeld door het aantal maanden aanspraak volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in 9i:3 vermenigvuldigd met het aantal maanden genoten volledig buitengewoon verlof zoals bedoeld in 9i:3.
Artikel 9h:14 Pensioenopbouw
Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9i:3, bouwt de ambtenaar pensioen op over de volledige bereke- ningsgrondslag.
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 9i:1 Werkingssfeer Artikel 9i:2 Begripsbepalingen
Artikel 9i:1 Werkingssfeer
Lid 1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:
a. op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een gemeen- telijke ambulancedienst; en
b. op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college van de betreffende gemeente krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en
c. sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op grond waarvan krachtens ar- tikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder. Lid 2
Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing op de ambtenaar die
a. overstapt naar een andere functie bij dezelfde veiligheidsregio, of
b. overstapt naar een andere veiligheidsregio,
tenzij bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt. Lid 3
Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.
Lid 4 In afwijking van het bepaalde in lid 1 is dit hoofdstuk, met uitzondering van het bepaalde in de paragrafen 7 en 8, niet van toepassing op de ambtenaar
a. die volledig inactief was op grond van het bepaalde in hoofdstuk 9b zoals dit hoofdstuk luidde op 30 september 2023 of
b. waarvan de leeftijdsgrens was vastgesteld op 60 jaar.
Artikel 9i:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. berekeningsgrondslag:
1. de optelsom van:
1.1. het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 1:1 onder qq en rr;
1.2. de IKB-onderdelen, bedoeld in artikel 3:28 lid 2 onder a en b;
1.3. de TOR, bedoeld in artikel 3:37;
1.4. de toelagen bedoeld in hoofdstuk 20 en de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, berekend over de maand onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van de geheel of gedeeltelijke periode van buitengewoon verlof. Als sprake is van toegekende toelagen die in hoogte variëren dan wordt het gemiddelde berekend over de periode van de voorgaande 12 maanden.
2. Het bedrag van de berekeningsgrondslag wordt opnieuw vastgesteld bij een generieke salarisverho- ging, waaronder begrepen de stijging van de IKB-onderdelen, bedoeld in artikel 3:28 lid 2 onder a en b.
3. Als verlofopname door de ambtenaar in de voorgaande 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de berekeningsgrondslag dan werkt die wijziging door in de bereke- ningsgrondslag.
b. bruto uitkeringsbedrag: het bruto bedrag dat met toepassing van de witte loonheffingstabel en loonheffingskorting nodig is voor een berekeningsresultaat van 75% netto als bedoeld in artikel 9i:3 lid 1;
c. bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;
d. tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de veiligheidsregio of buiten de organi- satie van de veiligheidsregio die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.
e. dienstjaren: de jaren in dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin men daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet;
f. AOW-hiaat: de periode waarin de ambtenaar van 65 jaar of ouder geen recht had op een AOW-uitkering met een maximum van 24 maanden;
g. totaalinkomen: het met de bestanddelen van de berekeningsgrondslag overeenkomende inkomen in een nieuwe functie vermeerderd met uitkeringen die de ambtenaar in verband met arbeidsongeschikt- heid ontvangt.
h. AOW-kloof: de periode tussen de leeftijd van 67 jaar en de individuele AOW-leeftijd van de ambtenaar. Paragraaf § 2 Aanspraken
Artikel 9i:3
Artikel 9i:4 Voortzetting deelnemerschap ABP Artikel 9i:4a Overgangsvergoeding
Artikel 9i:3 Aanspraken
Lid 1
Met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 9h heeft de ambtenaar vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd, bedoeld in lid 2 bereikt, volledig buitengewoon verlof met een garantie van 75% netto van de voor de hem geldende berekeningsgrondslag volgens de fiscale regels zoals die gelden op de datum van uitbetaling als ware hij in actieve dienst met toepas- sing van de loonheffingskorting.
Lid 2
De uittredeleeftijd en duur van het toegekende volledig buitengewoon verlof zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en bedragen bij:
a.
b.
c.
d.
e.
Lid 3
20 dienstjaren of meer 15 tot 20 dienstjaren
10 tot 15 dienstjaren
5 tot 10 dienstjaren
0 tot 5 dienstjaren
Uittredeleeftijd 56 jaar;
57 jaar;
58 jaar;
59 jaar;
59 jaar;
Duur buitengewoon verlof 8 jaar
7 jaar
6 jaar
5 jaar
5 jaar
Voor de ambtenaar bedoeld in lid 2 onder d geldt het volgende:
a. De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 58 jaar bereikt 50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken. Hij heeft dan aanspraak op doorbetaling van 90% bruto van de voor hem geldende berekeningsgrondslag tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt.
b. Gedurende deze periode vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt.
c. De ambtenaar, bedoeld in lid a, moet medisch geschikt zijn om 50% in zijn bezwarende functie door te werken. Is hij dat niet dan wordt hij ziek gemeld op de leeftijd van 58 jaar en in ieder geval hersteld gemeld op de leeftijd van 59 jaar.
Lid 4
De jaren dat de ambtenaar op grond van dit artikel volledig buitengewoon verlof is verleend tellen voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.
Lid 5
Als gevolg van ziekte vindt geen stopzetting van het toegekende buitengewoon verlof plaats. Lid 6
Met uitzondering van de periode als bedoeld in lid 3 onder b vindt gedurende de gehele periode van buitengewoon verlof geen opbouw van vakantie-uren plaats.
Lid 7
Tijdens de periode van buitengewoon verlof bouwt de ambtenaar pensioen op over de berekenings- grondslag.
Artikel 9i:4 Voortzetting deelnemerschap ABP
De ambtenaar waarvan de leeftijdsgrens voor uittreden op 31 december 2005 was vastgesteld op 60 jaar en die een afkoopsom van zijn levensloopaanspraken heeft ontvangen, kan vanaf 1 januari 2023 voor een maximale periode van 24 maanden gebruik maken van de vrijwillige voortzetting deelnemer- schap ABP voor rekening van de werkgever mits hij:
a. een ontslagverzoek indient,
b. een toekenningsverzoek ‘voortzetting deelnemerschap ABP’ indient,
c. verklaart dat hij de afkoopsom van zijn levensloopaanspraken, bedoeld in artikel 9e:17 zoals dat luidde op 31 december 2021, ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ met de som van het nettoresultaat van de uitbetalingen en het netto spaarverzekeringstegoed bedoeld in artikel 9e:16 zoals dat luidde op 31 december 2021, inzet om te voorzien in zijn inkomen gedurende deze periode,
d. direct voorafgaande aan de ingangsdatum van zijn ontslag belast was met de uitvoering van een bezwarende functie/taken op grond waarvan de levensloopaanspraken zijn afgekocht en
e. eerder dan 3 jaar voor de voor hem geldende vastgestelde AOW-leeftijd start met de vrijwillige voortzetting deelnemerschap ABP.
Artikel 9i:4a Overgangsvergoeding
Lid 1
De ambtenaar die buitengewoon verlof wordt verleend als bedoeld in artikel 9i:3 heeft recht op een overgangsvergoeding van:
a. € 3.500,00 bruto als het om een ambtenaar gaat met 10 tot 20 dienstjaren op 1 januari 2006 als bedoeld in artikel 9i:3 lid 2, mits en voor zover de inkomensafhankelijke ziektekostenpremie volgens de lokale uitvoering van het FLO-overgangsrecht 2006 in de levensloopperiode werd doorbetaald door de werk- gever onder toepassing van de groene loonheffingstabel;
b. € 1.500,00 bruto als niet voldaan wordt aan de voorwaarden onder a gesteld. Lid 2
De overgangsvergoeding, bedoeld in lid 1, wordt betaalbaar gesteld in de laatste maand in actieve dienst.
Paragraaf § 3 Doorwerken
Artikel 9i:5 Doorwerken in repressieve functie Artikel 9i:6 Eerder uittreden
Artikel 9i:5 Doorwerken in repressieve functie
Lid 1
De ambtenaar kan de ingangsdatum van het volledige buitengewoon verlof later laten ingaan, telkens met een periode van één jaar. Voorwaarde is dat de ambtenaar geschikt is om door te werken in de bezwarende functie volgens een PPMO als bedoeld in artikel 19a:3.
Lid 2
De ambtenaar die van lid 1 gebruik wil maken, doet de aanvraag een jaar voorafgaand aan het bereiken van zijn uittredeleeftijd. De werkgever wijst de ambtenaar tijdig op de mogelijkheid om de uittredeleeftijd te verschuiven.
Lid 3
Indien de ambtenaar de bezwarende functie door ziekte of gebrek niet kan vervullen voor aanvang van de periode van langer doorwerken of herhaald langer doorwerken en de bedrijfsarts herstel niet binnen zes maanden verwacht, wordt het verzoek om langer door te werken geweigerd.
Lid 4
De ambtenaar stopt uiterlijk met werken in een bezwarende functie met ingang van de dag volgend op de maand waarin hij 59 jaar wordt.
a. Maakt de ambtenaar gebruik van verlof als bedoeld in artikel 6:3a dan verschuift de uittredeleeftijd met de duur van dit spaarverlof ook als dit leidt tot overschrijding van de leeftijd van 59 jaar. De amb- tenaar behorende tot het cohort 5 tot 10 dienstjaren kan het spaarverlof niet inzetten direct voorafgaand aan de periode bedoeld in artikel 9i:3, lid 3 (50/90%); dit kan wel na deze periode.
b. De omvang van het spaarverlof en het volledig buitengewoon verlof van de ambtenaar leidt niet tot een periode van buitengewoon verlof gelegen op of na de AOW-leeftijd van de medewerker.
c. Aanpassing van de duur van het vastgestelde spaarverlof of de periode buitengewoon verlof vindt niet plaats bij niet voorziene verlaging van de AOW-leeftijd.
Lid 5
De ambtenaar die van de mogelijkheid om langer door te werken gebruik maakt, kan geen gebruik maken van de inkomensaanvulling bedoeld in artikel 9i:7.
Lid 6
Lid 5 geldt vanaf het moment dat de werkgever de mogelijkheid van de inkomensaanvulling bedoeld in artikel 9i:7, aanbiedt.
Artikel 9i:6 Eerder uittreden
Lid 1
Met uitzondering van de ambtenaar, bedoeld in artikel 9i:3 lid 2 onder e, kan de ambtenaar verzoeken om één jaar eerder uit te treden dan de uittredeleeftijd bedoeld in dat artikel.
Lid 2
De ambtenaar die van lid 1 gebruik wil maken, doet de aanvraag een jaar voorafgaand aan het bereiken van de gewenste uittredeleeftijd. De werkgever wijst de ambtenaar tijdig op de mogelijkheid om op deze eerdere uittredeleeftijd uit te treden.
Paragraaf § 4 Bijverdienen en verrekening van neveninkomsten
Artikel 9i:7 Inkomensaanvulling in een niet-repressieve functie bij de werkgever Artikel 9i:8 Verrekening inkomsten tijdens de periode van buitengewoon verlof
Artikel 9i:7 Inkomensaanvulling in een niet-repressieve functie bij de werkgever
Lid 1
Tijdens de periode van buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 9i:3 mag de ambtenaar zijn inkomen bij de werkgever aanvullen tot bruto 100% van de berekeningsgrondslag op jaarbasis door niet-repres- sieve werkzaamheden te verrichten.
Lid 2 De ambtenaar dient jaarlijks een aanvraag in om van de mogelijkheid, bedoeld in lid 1, gebruik te maken. Lid 3
De vergoeding van deze werkzaamheden wordt bepaald aan de hand van de zwaarte en de waardering van de beschikbare werkzaamheden.
Lid 4
De werkgever bepaalt in overleg met de OR welke mogelijkheden de formatie biedt, welke werkzaam- heden beschikbaar zijn alsmede onder welke voorwaarden deze werkzaamheden worden verricht.
Artikel 9i:8 Verrekening inkomsten tijdens de periode van buitengewoon verlof
Lid 1
Wanneer de ambtenaar tijdens de periode van buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of tijdens de periode van buitengewoon verlof, vindt een vermindering van zijn bruto uitkeringsbedrag plaats. Deze vermindering is het bedrag waarmee de inkomsten en het bruto uitkeringsbedrag samen de vastgestelde berekeningsgrondslag te boven gaan.
Lid 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9i:3 van toepassing is geworden.
Lid 3
Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere in- komsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel 9i:3.
Lid 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.
Lid 6
De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.
Lid 7
De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen. Lid 8
Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het bestuur besluiten een korting op het bruto uitkeringsbedrag toe te passen.
Paragraaf § 5 Ziekte en arbeidsongeschiktheid
Artikel 9i:9 Ziekte
Artikel 9i:10 Arbeidsongeschiktheid
Artikel 9i:11 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
Artikel 9i:9 Ziekte
Lid 1
Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duur- zaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. Lid 2 De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt in ieder geval hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9i:3, tweede lid.
Lid 3 De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de ingangsdatum van het toegekende volledig buitengewoon verlof wordt niet ziek gemeld.
Artikel 9i:10 Arbeidsongeschiktheid
Lid 1
De inkomenskorting als gevolg van ziekte, bedoeld in artikel 7:3, stopt uiterlijk twee maanden na dag- tekening van de UWV-beschikking indien:
a. sprake is van gedeeltelijke of volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid volgens een be- schikking van het UWV en
b. de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. Lid 2
In afwijking van artikel 7:16 lid 1 vindt herplaatsing van de ambtenaar vanaf 55 jaar in een passende functie plaats door middel van detachering met behoud van de arbeidsvoorwaarden uit de bezwarende functie.
Lid 3
Bij ziekte tijdens de periode van het opnemen van spaarverlof voorafgaand aan de buitengewoon ver- lofperiode stopt de opname van het spaarverlof de dag na de ziekmelding en start op deze datum de periode van volledig buitengewoon verlof (artikel 9i:3, lid 2). Uitbetaling van resterend spaarverlof aan de medewerker geschiedt via de loonbetaling voorafgaand aan de periode van buitengewoon verlof.
Artikel 9i:11 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
Lid 1
De ambtenaar die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de veiligheidsregio definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoeslag ter hoogte van het negatieve verschil tussen de berekeningsgrondslag en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar.
Lid 2
Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen buiten de organisatie van de veiligheidsregio, maken het bestuur en de ambtenaar afspraken over een financiële regeling.
Lid 3
Dit artikel is enkel van toepassing op de ambtenaar zoals bedoeld in 9i:3 lid 2 onder a.
Paragraaf § 6 Tweede loopbaan
Artikel 9i:12
Artikel 9i:12 Tweede loopbaan
Lid 1 Op de ambtenaar zijn tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de uittredeleeftijd als bedoeld in artikel 9i:3 bereikt, de artikelen 9a:5 tot en met 9a:8 en 9a:10 van overeenkomstige toe- passing met uitzondering van:
a. de periode van 20 jaar als bedoeld in 9a:5 lid 2 en 9a:8 lid 2 en
b. artikel 9a:5 lid 5. Lid 2
In afwijking van het bepaalde in artikel 9a:5 lid 4 wordt de ambtenaar een tweede loopbaanplan aange- boden op het moment dat is vastgesteld dat de ambtenaar om redenen van medische ongeschiktheid de bezwarende functie niet meer kan of mag vervullen.
Lid 3
In het kader van de tweede loopbaan wordt eerst gezocht naar een functie binnen de organisatie van de veiligheidsregio.
Lid 4
De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor ‘erkenning verworven competenties’ zijn competenties laten erkennen.
Lid 5
Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de ambtenaar recht op ver- goeding van de kosten, voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.
Lid 6
De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie aanvaardt binnen de orga- nisatie van de veiligheidsregio, ontvangt, in afwijking van het bepaalde in artikel 9a:11, een garantie- toeslag ter hoogte van het negatieve verschil tussen de berekeningsgrondslag in de oude en de nieuwe functie.
Lid 7
Het bestuur en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de organisatie van de veiligheidsregio een functie aanvaardt met een lager totaalinkomen.
Paragraaf § 7 compensatie verhoging AOW vóór 1 januari 2013 inactief
Artikel 9i:13 werkingssfeer
Artikel 9i:14 hoogte compensatie Artikel 9i:15 verlaging compensatie
Artikel 9i:13 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar die vóór 1 januari 2013 gebruik is gaan maken van het bepaalde
a. in artikel 9b:4 lid 1 of artikel 9b:26 zoals dat ▇▇▇▇▇▇ op 30 september 2023, of
b. in artikel 9b:11 lid 2 of 9b:35 lid 2 zoals dat luidde op 30 september 2023 en die op 29 oktober 2016 met volledig buitengewoon verlof of onbetaald volledig verlof was, als bedoeld in de hiervoor genoemde artikelen.
Artikel 9i:14 Hoogte compensatie
Lid 1
Na ontslag heeft de ambtenaar gedurende zijn AOW-hiaat recht op een maandelijkse compensatie AOW.
Lid 2
De compensatie AOW is gelijk aan de netto AOW-uitkering waarbij geen loonheffingskorting wordt toegepast, die voor de ambtenaar in de betreffende maand zou hebben bestaan, inclusief de inkomens- ondersteuning AOW en het vakantiegeld. Een korting op grond van artikel 13 AOW wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Artikel 9i:15 Verlaging compensatie
De compensatie bedoeld in artikel 9i:14 wordt verlaagd met:
a. de door de ambtenaar ontvangen overbruggingsuitkering van de Sociale Verzekeringsbank.
b. de hoogte van het bedrag dat de ambtenaar heeft ontvangen op grond van door de werkgever vanaf 2013 beschikbaar gestelde regelingen met als aantoonbaar doel de gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd voor de ambtenaar te compenseren.
Paragraaf § 8 Compensatie verhoging AOW vanaf 1 januari 2013 inactief
Artikel 9i:16 Werkingssfeer Artikel 9i:17 Hoogte compensatie
Artikel 9i:18 Landelijke Commissie Artikel 9i:19 Uitbetaling
Artikel 9i:16 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar die vanaf 1 januari 2013 gebruik is gaan maken van het bepaalde
a. in artikel 9b:4 lid 1 of artikel 9b:26 zoals dat ▇▇▇▇▇▇ op 30 september 2023, of
b. In artikel 9b:11 lid 2 of artikel 9b:35 lid 2 zoals dat luidde op 30 september 2023 en die op 29 oktober 2016 met volledig buitengewoon verlof of onbetaald volledig verlof was als bedoeld in de hiervoor genoemde artikelen.
Artikel 9i:17 Hoogte compensatie
Lid 1
Na ontslag heeft de ambtenaar recht op een maandelijkse compensatie AOW over de periode dat
a. hij op grond van door de werkgever vastgesteld beleid niet langer kon doorwerken bedoeld in artikel 9b:4, lid 5 juncto artikel 9b:26 lid 5 zoals die luidden op 30 september 2023, of
b. hij medisch niet geschikt was om langer door te werken bedoeld onder a, of
c. zijn verzoek om langer door te werken bedoeld onder a is afgewezen. Lid 2
De periode bedoeld in lid 1 is niet langer dan zijn AOW-hiaat onder vermindering van het aantal maanden dat de ambtenaar sinds 1 januari 2013 langer heeft doorgewerkt vanaf een keuzemoment als bedoeld in artikel 9b:4 lid 5 of artikel 9b:26 lid 5 zoals dat luidde op 30 september 2023.
Lid 3
Artikel 9i:14 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9i:18 Landelijke Commissie
Lid 1
De ambtenaar die geen recht heeft op compensatie AOW als bedoeld in deze paragraaf kan bij de Landelijke Commissie Compensatieregeling AOW een verzoek indienen om alsnog in aanmerking te komen voor compensatie AOW.
Lid 2
Het verzoek bedoeld in lid 1 kan de ambtenaar indienen als hij meent dat:
a. medische ongeschiktheid de reden was om geen verzoek te doen om langer door te werken, of
b. zijn verzoek om langer door te werken zou worden geweigerd op grond van disfunctioneren en hij om deze reden heeft afgezien van een verzoek om langer door te werken.
Lid 3
Het verzoek bedoeld in lid 1, wordt niet in behandeling genomen als de ambtenaar een bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend.
Lid 4
Het bestuur neemt een besluit op grond van het zwaarwegende advies van de Landelijke Commissie Compensatieregeling AOW.
Artikel 9i:19 Uitbetaling
De compensatie AOW bedoeld in paragraaf 7 en 8 van dit hoofdstuk wordt vanaf het moment waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt maandelijks aan de ambtenaar uitbetaald.
Paragraaf § 9 Einde FLO-overgangsrecht
Artikel 9i:20 Ontslag
Artikel 9i:20 Ontslag
Lid 1
De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend na afloop van de voor hem geldende periode van buiten- gewoon verlof, bedoeld in artikel 9i:3.
Lid 2
Het ontslag gaat in op de dag die volgt op de laatste dag van dit buitengewoon verlof. Lid 3
Het bestuur neemt een opzegtermijn van drie maanden in acht.
Als de opzegtermijn, bedoeld in lid 3, niet in acht wordt genomen dan gaat de ontslagdatum later in zonder dat dit gevolgen heeft voor de einddatum van het buitengewoon verlof.
Paragraaf § 10 Verhoging AOW-leeftijd tot boven 67 jaar
Artikel 9i:21 werkingssfeer Artikel 9i:22 compensatie
Artikel 9i:23 keuzemogelijkheid langer doorwerken
Artikel 9i:21 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar die gebruik maakte van
a. het bepaalde in artikel 9i:3, en
b. maximaal eenmaal de ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof een jaar later liet ingaan op grond van artikel 9i:5 lid 1, en
c. ontslag kreeg op grond van artikel 9i:20, en
d. waarbij sprake is van een AOW-kloof zoals bedoeld in artikel 9i:2 onder h.
Artikel 9i:22 Compensatie
Lid 1
De ambtenaar heeft vanaf de leeftijd van 67 jaar recht op een maandelijkse compensatie AOW voor de duur van 50% van de lengte van de individuele AOW- kloof.
Lid 2
De hoogte van de maandelijkse compensatie AOW is overeenkomstig artikel 9i:14 lid 2.
9i:23 Keuzemogelijkheid langer doorwerken
Lid 1
De ambtenaar mag, naast de mogelijkheid van artikel 9i:5 lid 1 en in afwijking van artikel 9i:5 lid 4, de ingangsdatum van het volledige buitengewoon verlof zoveel later laten ingaan als 50% van de indivi- dueel verwachte AOW-kloof. Voorwaarde is dat de ambtenaar geschikt is om door te werken in de be- zwarende functie volgens een PPMO als bedoeld in artikel 19a:3.
Lid 2
De ambtenaar die van de in lid 1 geboden mogelijkheid gebruik wil maken, doet de aanvraag één jaar voorafgaand aan het bereiken van zijn uittredeleeftijd.
Lid 3
Het vaststellen van de duur van de periode dat de ambtenaar het volledige buitengewoon verlof later laat ingaan, genoemd in lid 1, vindt plaats op basis van de AOW-kloof zoals verwacht op het moment van aanvraag zoals bedoeld in lid 2.
Lid 4
De ambtenaar die geen gebruik kan maken van het gestelde in lid 1 vanwege ongeschiktheid volgens een PPMO door een dienstongeval zoals bedoeld in artikel 7:1 lid 1 onder e of door gediagnostiseerde PTSS heeft recht op een maandelijkse compensatie AOW zoals aangegeven in artikel 9i:14 lid 2 voor de duur van zijn individuele AOW-kloof.
Artikel 10:1 Vervallen
Hoofdstuk 10 is vervallen per 01-01-2023.
Artikel 10a:1 Vervallen
Hoofdstuk 10a is vervallen per 01-01-2023.
Artikel 10c:1 Werkingssfeer reparatie-uitkering
Lid 1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of van wie de uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd, maar die op grond van de Werkloosheidswet zoals die gold op 31 december 2015 nog recht op een uitkering zou hebben gehad.
Lid 2
In afwijking van lid 1 van dit artikel, is artikel 10c:7 van toepassing op de ambtenaar in de zin van artikel 1:1 lid 1, onderdeel a.
Artikel 10c:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. arbeidsverleden:
arbeidsverleden als bedoeld in de Werkloosheidswet;
b. sector:
de veiligheidsregio waarop de CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s van toepassing is;
c. herleving:
herleving overeenkomstig de Werkloosheidswet;
d. indexatie:
de reparatie-uitkering wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de sector;
e. reparatie-uitkering:
uitkering die de toegekende WW-uitkering in opbouw en duur aanvult naar het niveau op 31 december 2015;
f. sv-maandloon:
sv-maandloon als bedoeld in de Werkloosheidswet met het maximum, bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen;
g. werkloos:
werkloos als bedoeld in de Werkloosheidswet;
h. werkloosheidsuitkering:
WW-uitkering en reparatie-uitkering tezamen;
i. WW-uitkering:
uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
j. WW:
Werkloosheidswet.
Artikel 10c:3 Recht reparatie-uitkering
Lid 1
De ambtenaar heeft recht op een reparatie-uitkering indien:
a. de werkloosheid aansluitend op de WW-uitkering voortduurt; en
b. de WW-opbouw lager is bij een arbeidsverleden vanaf 10 jaar op grond van de WW, dan zou hebben gegolden op grond van de WW op 31 december 2015; of
c. een WW-uitkering met een kortere duur is toegekend op grond van de WW, dan zou hebben gegolden op grond van de WW op 31 december 2015.
Lid 2
De ambtenaar legt de benodigde gegevens en informatie van het UWV aan de veiligheidsregio over die van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte en de duur van de reparatie-uitkering.
Artikel 10c:4 Opbouw en duur reparatie-uitkering
Lid 1
De opbouw van de reparatie-uitkering voor de ambtenaar die werkloos wordt met meer dan 10 jaar arbeidsverleden, bedraagt een halve maand per dienstjaar.
Lid 2
De opbouw van de reparatie-uitkering voor de ambtenaar die werkloos wordt met meer dan 24 jaar arbeidsverleden, bedraagt een maand per verstreken kalender-kwartaal.
Lid 3
De duur van de reparatie-uitkering is gelijk aan het verschil tussen de duur van de WW-uitkering op 31 december 2015 en de duur van de WW-uitkering op of na 1 januari 2016 inclusief de opschuiving van de einddatum door herleving.
Artikel 10c:5 Hoogte reparatie-uitkering
Lid 1
De reparatie-uitkering heeft dezelfde hoogte als de WW-uitkering als deze niet zou zijn geëindigd. Lid 2
De volledige reparatie-uitkering is gebaseerd op 36 uur per week werkloosheid. Als sprake is van minder dan 36 uur per week werkloosheid, wordt het bedrag van de reparatie-uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
Artikel 10c:6 Sancties reparatie-uitkering
Lid 1
Het bestuur maakt een sanctieregeling op grond waarvan sancties kunnen worden toegepast op de uitbetaling van de reparatie-uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het bestuur te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de reparatie-uitkering.
Artikel 10c:7 Premie reparatie-uitkering
Lid 1
Het bestuur heft vanaf 1 januari 2018 maandelijks een werknemerspremie op het bruto salaris van de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.
Lid 2
De hoogte van de premie is vastgesteld 0,1% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). De hoogte van de premie kan jaarlijks worden bijgesteld. Voor de periode van 1 mei 2024 tot 1 augustus 2025 is de hoogte van de premie vastgesteld op 0,0%.
Lid 3
De heffingsgrondslag is gemaximeerd tot het maximum-premieloon bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Artikel 10c:8 Einde reparatie-uitkering
Lid 1
De reparatie-uitkering eindigt na het verstrijken van de uitkeringsduur. Lid 2
De reparatie-uitkering eindigt op de dag waarop de werkloosheid eindigt. Lid 3
De reparatie-uitkering eindigt op de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Lid 4
De reparatie-uitkering eindigt na een periode van 13 weken van voortdurende arbeidsongeschiktheid door ziekte.
Artikel 10c:9 Herleving reparatie-uitkering
Lid 1
Als het recht op een reparatie-uitkering gedeeltelijk of geheel is geëindigd en vervolgens de (ex)-amb- tenaar na aanvaarding van een nieuw dienstverband wederom werkloos is geworden, herleeft op verzoek het recht op een reparatie-uitkering voor zover bij de beëindiging van het nieuwe dienstverband geen nieuw recht op een WW-uitkering op grond van de WW is ontstaan.
Lid 2
De duur en de hoogte van de herleefde reparatie-uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de re- paratie-uitkering waarop de (ex) ambtenaar nog recht zou hebben gehad indien hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
Lid 3
De reparatie-uitkering kan niet meer herleven als de maximale uitkeringsduur van de reparatie-uitkering is volgemaakt.
Artikel 10c:10 Afkoop reparatie-uitkering
Lid 1
Het bestuur kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toe- stemming geven voor afkoop van de reparatie-uitkering.
Lid 2 Het bestuur bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.
Artikel 10d:0:0:1 Reglement sanctiebeleid aanvullende en na-wettelijke uitkering
In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 10d heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Reglement sanctiebeleid aanvullende en na-wettelijke uitkering vastgesteld.
Klik hier om naar dit reglement te gaan. Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen Artikel 10d:1 Werkingssfeer
Artikel 10d:2 Begripsbepalingen
Artikel 10d:1 Werkingssfeer Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boven- tallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.
Artikel 10d:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. aanvullende uitkering:
uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;
b. grondslag:
het gemiddelde van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-in- tegratiefase of de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b. Deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging overeengekomen in het LOAV voor het personeel in dienst van de veiligheidsregio’s;
c. vervallen
d. boventalligheid:
de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorgani- satie;
e. na-wettelijke uitkering:
de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;
f. werkloosheid:
werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de veiligheidsregio;
g. reparatie-uitkering:
uitkering die de WW-uitkering in opbouw en duur aanvult naar het niveau op 31 december 2015;
h. werkloosheidsuitkering:
WW-uitkering en reparatie-uitkering tezamen;
i. WW-uitkering:
uitkering op grond van Werkloosheidswet. Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken
Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken
Lid 1
Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit hoofdstuk. Lid 2
Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken bestuur en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale afspraken.
Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Lid 1 Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het bestuur een passende regeling. Lid 2
De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het bestuur gehoord. Lid 3
Het bestuur betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.
Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)
Artikel 10d:5 Begripsbepalingen
Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase
Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop Artikel 10d:10 Re-integratieplan
Artikel 10d:5 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. re-integratiefase:
de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een re-integratieplan afspraken worden ge- maakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doelwerkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;
b. re-integratieplan:
het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van de veiligheidsregio en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te bevorderen.
Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag
Lid 1
De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een re-integratiefase. Lid 2
De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6. Lid 3
De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.
Lid 4
De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de veiligheidsregio , waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indienst- treding bij de veiligheidsregio dan wel de rechtsvoorganger(s), waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de re-integratiefase.
Lid 5
De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:
a. 2 tot 10 jaar 4 maanden
b. 10 tot 15 jaar 8 maanden
c. 15 jaar of meer 12 maanden.
Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase
Lid 1
De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de veiligheidsregio aanvaardt.
Lid 2
De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan. Lid 3
Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:8 Verlenging re-integratiefase
Lid 1
De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het bestuur zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.
Lid 2
De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase. Lid 3
Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het bestuur de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.
Lid 4
Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het re-integratieplan van kracht.
Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
Lid 1
De ambtenaar kan het bestuur verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.
Lid 2
Het bestuur stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de re-integratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:
a. onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en
b. tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-inte- gratie bevorderen.
Lid 3 Het bestuur en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het bestuur en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het re-integratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.
Lid 4
Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10d:10 Re-integratieplan
Lid 1
Het bestuur stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratie- fase een re-integratieplan op.
Lid 2
De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het bestuur gehoord. Lid 3
In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen die van het bestuur en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het re-integratieplan;
scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten;
opstellen arbeidsmarktprofiel; sollicitatieactiviteiten.
Lid 4
In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het bestuur, met een maximum van € 7.500,=.
Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid Toelichting
In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.
Algemene bepalingen
Artikel 10d:11 Toepassingsbereik
Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting
Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject
Inhoud Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract
Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
Verlenging en einde Van werk naar werk-traject Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging
Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur
Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten
Artikel 10d:24 Paritaire commissie
Artikel 10d:11 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het bestuur boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende veiligheidsregio.
Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject
De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het bestuur besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.
Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting
In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het bestuur een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-in- spanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de veiligheidsregio.
Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.
Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek
Lid 1
Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken bestuur en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de veiligheidsregio. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht.
Lid 2
Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingescha- keld.
Lid 3
Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het Van werk naar werk- traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.
Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract
Lid 1
Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen bestuur en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.
Lid 2 Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.
Lid 3
Afspraken kunnen worden gemaakt over:
het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan; het al dan niet elders opdoen van werkervaring;
de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject verricht; het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget;
eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;
de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.
Lid 4
De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het bestuur. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het bestuur een afzonderlijk besluit.
Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de we- derzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.
Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de veiligheidsregio aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden.
Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging
Lid 1
Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de veiligheidsregio of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de veiligheids- regio weigert.
Lid 2
Het bestuur kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.
Lid 3
Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het bestuur aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wette- lijke uitkering.
Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur
Lid 1
Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaan- adviseur binnen een maand een advies uit aan het bestuur over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.
Lid 2
Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk naar werk- traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.
Lid 3
Het bestuur beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.
Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
Lid 1
Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het bestuur over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.
Lid 2
Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.
Lid 3
Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van werk naar werk- termijn van twee jaar.
Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject
Lid 1
Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het bestuur besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een re- delijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.
Lid 2
Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het bestuur de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.
Lid 3
Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.
Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
Lid 1
Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.
Lid 2
Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract.
Lid 3
Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de pe- riode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het bestuur zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.
Lid 4
Ingeval het bestuur van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.
Lid 5
Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de pari- taire commissie.
Artikel 10d:24 Paritaire commissie
Lid 1
Het bestuur stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.
Lid 2
Zowel de ambtenaar als het bestuur kan een geschil over de uitvoering van het Van werk naar werk- contract als bedoeld in artikel 10d:23 lid 5 voorleggen aan deze commissie.
Lid 3
De commissie brengt een zwaarwegend advies uit over het geschil, bedoeld in lid 2. Lid 4
Het bestuur stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.
Paragraaf 6 Aanvullende uitkering
Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering
Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag Artikel 10d:28 Sancties
Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering
Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering
Lid 1
Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:
a. op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is; of
b. op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en
c. recht heeft op een werkloosheidsuitkering en deze werkloosheidsuitkering ontvangt. Lid 2
Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de veiligheidsregio overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.
Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag
Lid 1
De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
Lid 2
Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a. voor ambtenaren met een grondslag tot een bedrag van € 4.375,= 10%;
b. voor ambtenaren met een grondslag vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%;
c. voor ambtenaren met een grondslag vanaf € 5.250,= 30%. Lid 3
Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a. voor ambtenaren met een grondslag van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10;
b. voor ambtenaren met een grondslag van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;
c. voor ambtenaren met een grondslag vanaf € 6.560,= 30%.
Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag
Lid 1
De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag. Lid 2
De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.
Artikel 10d:28 Sancties
Lid 1 Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.
Lid 2
Het bestuur stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.
Lid 3
Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het bestuur besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.
Lid 4
Het bestuur stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.
Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering
De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.
Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering
Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering
Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering Artikel 10d:35 Afkoop
Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering
Lid 1
De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:
a. de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;
b. hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de veiligheidsregio overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.
Lid 2
Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.
Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering
Lid 1
De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de werkloosheids- uitkering, als deze zou zijn voortgezet.
Lid 2
Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
Lid 3
De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar bij de veiligheidsregio dan wel de rechtsvoorgan- ger(s) maal een correctiefactor. De correctiefactor is
a. 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar
b. 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar
c. 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.
Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering
Lid 1
De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken. Lid 2
De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt. Lid 3
Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerech- tigde leeftijd bereikt.
Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering
Het bestuur stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het bestuur te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wet- telijke uitkering.
Artikel 10d:35 Afkoop
Lid 1
Het bestuur kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toe- stemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.
Lid 2 Het bestuur bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.
Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
Artikel 10d:38 ▇▇▇▇ bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
Artikel 10d:39 Overgangsrecht
Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij < 35% arbeidsongeschiktheid
Lid 1
De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.
Lid 2 Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de veiligheidsregio overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzon- dere uitkering.
Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering
Lid 1
De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.
Lid 2
Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.
Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering
De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.
Artikel 10d:39 Overgangsrecht
In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:
a. op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had bij de veiligheidsregio dan wel de rechtsvoorganger(s) en
b. ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008
gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd bij de veiligheidsregio dan wel de rechtsvoorganger(s).
Artikel 10e:1 Vervallen
Hoofdstuk 10e is vervallen
Artikel 11:1 Vervallen
Hoofdstuk 1 is vervallen per 01-01-2023. Hoofdstuk 11a is vervallen per 01-01-2023.
Artikel 12:1 Algemene bepalingen
Lid 1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. de commissie:
de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;
b. de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;
c. de organisaties:
de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel aange- sloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met de Werkgeversvereniging Sa- menwerkende Veiligheidsregio’s.
Lid 2
Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het bestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.
Lid 3 Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Mid-
delbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF), dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voor zover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.
Lid 4
De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegen- woordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON.
Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als ge- noemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie.
Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende be- palingen.
Lid 5 Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien ze representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.
Lid 6
Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.
Artikel 12:1:1 Samenstelling
Lid 1
Voor de vertegenwoordiging van het bestuur de veiligheidsregio in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het bestuur uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. Lid 2
Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.
Artikel 12:1:2 Jaarlijkse opgave leden
Lid 1 Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het bestuur opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.
Lid 2 Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het bestuur doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.
Artikel 12:1:3 Aanwijzing voorzitter en secretaris
Lid 1
Voorzitter van de commissie is de door het bestuur aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.
Lid 2
Het bestuur wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het bestuur verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.
Lid 3
De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.
Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO
Lid 1
Ingeval overleg in het LOAV tussen de WVSV en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeen- stemming als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het bestuur daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.
Lid 2 Ten aanzien van veiligheidsregio’s die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOAV, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het bestuur daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.
Artikel 12:1:5 Organisatiewijziging
Lid 1
Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het bestuur het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.
Lid 2
Het bestuur stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:
a. de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;
b. de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord;
c. de personele gevolgen van die verandering. Lid 3
Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.
Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden
Lid 1
De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOAV tussen de Werkgevers Vereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s en de centrales van overheids- personeel.
Lid 2
Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg. Lid 3
De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.
Artikel 12:2:1 Voorwaarde
Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, worden door het bestuur en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.
Artikel 12:2:2 Besluitvorming
Lid 1 De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het bestuur.
Lid 2 vervallen Lid 3
De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegen- woordigde organisaties.
Artikel 12:2:3 Subcommissie
Lid 1 De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.
Lid 2
De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.
Lid 3
Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12:2:4 Vergaderingen
Lid 1
De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen. Lid 2
Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.
Artikel 12:2:5 Uitnodiging en quorum vergadering
Lid 1
De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproe- pingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.
Lid 2
Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het bestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het bestuur bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het bestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.
Lid 3
Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.
Artikel 12:2:6 Indienen onderwerpen
Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.
Artikel 12:2:7 Beslotenheid
Lid 1
De vergaderingen zijn niet openbaar. Lid 2
De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.
Lid 3
De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.
Lid 4 De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het bestuur en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende orga- nisaties.
Artikel 12:2:8 Schorsen
De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.
Artikel 12:2:9 Stemmen
Lid 1
Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.
Lid 2
De stem van de vertegenwoordiging van het bestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
Lid 3
De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegen- woordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als amb- tenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de
andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoor- diging geacht tegen te hebben gestemd.
Lid 4
Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.
Artikel 12:2:10 Notulen Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.
Artikel 12:2:11 Reglement van orde
Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het bestuur.
Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie
De artikelen 12:3:2, tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die veiligheidsregio's die zijn aange- sloten bij de advies- en arbitragecommissie.
Artikel 12:3:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan onder:
a. deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het bestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;
b. advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Artikel 12:3:3 Geschillen
De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.
Artikel 12:3:4 Ontbreken instemming
Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.
Artikel 12:3:5 Procedure na ontbreken instemming
Lid 1
Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
Lid 2
Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van het geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitrage- commissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie. Lid 3
Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het bestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd. Lid 4
Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoor- diging van het bestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.
Artikel 12:3:6 Verzoek aan Advies- en Arbitragecommissie
Lid 1
Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde ver- gadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.
Lid 2
Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.
Artikel 12:3:7 Voortzetting overleg
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.
Artikel 12:3:8 Uitspraak Advies- en Arbitragecommissie
De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.
Artikel 12:3:9 Onvoorziene gevallen
In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.
Artikel 12:4 Werkgeversbijdrage
Lid 1
De veiligheidsregio’s betalen de vakcentrales die partij zijn in het LOAV per kalenderjaar een financiële werkgeversbijdrage via de werkorganisatie van één van de aangesloten vakcentrales.
Lid 2 Het jaarbedrag voor de werkgeversbijdrage is gelijk aan de actuele norm van de Algemene Werkgevers- vereniging Nederland (AWVN), vermenigvuldigd met het aantal medewerkers met een volledig dienstverband dat op 1 januari van dat jaar een aanstelling bij de veiligheidsregio heeft. Voor medewer- kers die geen volledig dienstverband hebben geldt de deeltijdfactor in de berekening van het jaarbedrag. Voor brandweervrijwilligers geldt een deeltijdfactor van 0,25.
Lid 3
De veiligheidsregio’s verstrekken de in lid 1 genoemde werkorganisatie uiterlijk op 1 april een overzicht van het totaal aantal medewerkers op 1 januari van dat lopende kalenderjaar.
Lid 4
De werkorganisatie stuurt uiterlijk 1 mei een factuur naar de veiligheidsregio voor het lopende kalen- derjaar. De veiligheidsregio betaalt de factuur uiterlijk 1 juni.
Lid 5
Bestaande financiële lokale bijdrageregelingen vervallen. De vakcentrales die partij zijn in het LOAV leggen geen nieuwe andere bijdrageregeling voor aan de veiligheidsregio.
Lid 6 De vakcentrales doen uiterlijk op 1 april aan de Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s opgave van de op 1 januari van dat jaar bij de Veiligheidsregio’s werkzame leden waarop de CAR(- UWO) van toepassing is, gesplitst naar brandweervrijwilligers en overig personeel.
Lid 7
De vakcentrales die partij zijn in het LOAV zien af van bevoordeling van leden.
Artikel 13:1 Vervallen
Hoofdstuk 13 is vervallen per 01-01-2023.
Artikel 14:1 Convenant
Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) onderne- mingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.
Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn veilig- heidsregio's voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.
Artikel 14:1:2 t/m 14:2:2 Vervallen
Vervallen
Artikel 15:1 Verplichtingen
De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te ge- dragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
Artikel 15:1:0:1 Gedragscode integriteit
In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1 heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Ge- dragscode integriteit vastgesteld.
Klik hier om naar deze gedragscode te gaan.
Artikel 15:1:0:2 Gedragscode internet en e-mail gebruik
In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1 heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Ge- dragscode internet en e-mail gebruik vastgesteld.
Klik hier om naar deze gedragscode te gaan.
Artikel 15:1a Ambtseed
De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het bestuur is voorgeschreven.
Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het bestuur in bij- zondere gevallen, ten eigen bate:
a. diensten te laten verrichten door personen in dienst van de veiligheidsregio;
b. aan de veiligheidsregio toebehorende eigendommen te gebruiken;
c. gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.
Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden
Het is de ambtenaar verboden:
a. in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het bestuur;
b. steekpenningen aan te nemen.
Artikel 15:1d Algemene verplichtingen
Lid 1 De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.
Lid 2
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.
Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden
Lid 1
De ambtenaar is verplicht aan het bestuur, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
Lid 2
Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven. Lid 3
Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.
Lid 4
Het bestuur regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de commandant en directeur, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.
Artikel 15:1f Melding financiële belangen
Lid 1
Het bestuur wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige infor- matie verbonden is.
Lid 2
De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het bestuur, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.
Lid 3
Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid. Lid 4
Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in ef- fecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.
Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst
Lid 1 Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.
Lid 2 Het bestuur kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 15:1:9 Verbod op aandeelhouderschap e.d.
(Vervallen)
Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever
Lid 1 De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het bestuur zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functi- onering van de openbare dienst van de veiligheidsregio noodzakelijk is.
Lid 2 Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.
Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden
Lid 1
De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het bestuur wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te ver- richten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de veiligheidsregio in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.
Lid 2
De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het bestuur wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s.
Lid 3
In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.
Lid 4
De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak. Lid 5
De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandig- heden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.
Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade
Lid 1 De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de veiligheidsregio geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.
Lid 2 Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.
Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar
Lid 1
De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of ge- deeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.
Lid 2 Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.
Lid 3
De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het bestuur.
Artikel 15:1:14 Klachten van derden
(Vervallen)
Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar
Lid 1 Het bestuur kan bepalen, dat met inachtneming van door het bestuur te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.
Lid 2
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het bestuur verbeterd kan worden.
Artikel 15:1:15:1 Regeling personeelsbeoordeling
In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:15 heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Regeling personeelsbeoordeling vastgesteld.
Klik hier om naar deze regeling te gaan.
Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding
Lid 1
De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het bestuur voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.
Lid 2
Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het bestuur toestemming is gegeven.
Lid 3 Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet door het bestuur zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het bestuur vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.
Lid 4
Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.
Artikel 15:1:17 Standplaats
Lid 1
Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.
Lid 2
Onder standplaats dient te worden verstaan: de veiligheidsregio of het met name genoemde gedeelte van de veiligheidsregio, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.
Lid 3
Het bestuur kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.
Artikel 15:1:18 Dienstwoning
Lid 1
De ambtenaar is verplicht, indien hem door het bestuur een dienstwoning is aangewezen, deze te be- trekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daarom- trent zijn gesteld.
Lid 2 Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij ter zake een afwijkende regeling is vastgesteld.
Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein Aan de ambtenaar kan door of namens het bestuur de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.
Artikel 15:1:20 Infectieziekten
Lid 1
De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.
Lid 2 De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het bestuur. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het bestuur gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onder- zoek.
Lid 3
De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Artikel 15:1:21 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade
Lid 1
Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.
Lid 2
Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:
a. die schade bestaat uit de normale slijtage of,
b. er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of,
c. de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.
Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig
Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aan- sprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het bestuur toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
Artikel 15:1:25 Onvoorziene gevallen
Het bestuur kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.
Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding
De ambtenaar is, indien het bestuur dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vak- opleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het bestuur nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de veiligheidsregio.
Artikel 15:1:27 Betaald opleidingsverlof Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week ▇▇▇▇▇▇ met behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.
Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties
(verplaatst naar hoofdstuk 3)
Artikel 15:1:29 Onbekendheid met bepalingen
Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
Artikel 15:1:30 Borstvoeding
Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de ge- boorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.
Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg
De veiligheidsregio draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een or- ganisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4c buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de organisatie.
Artikel 15:2 Klokkenluiders
Lid 1
Het bestuur stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden. Lid 2
Ambtenaren en door het bestuur aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de veiligheidsregio benadeeld worden.
Artikel 15:2:0:1 Regeling klokkenluiders
In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2 heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Re- geling klokkenluiders vastgesteld.
Klik hier om naar deze regeling te gaan.
Artikel 15:3 Kinderopvang
(Vervallen)
Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim
Lid 1
De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet 2017, kan des- wege disciplinair worden gestraft.
Lid 2
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen
Lid 1
Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toe- gepast:
a. schriftelijke berisping;
b. arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;
c. vermindering van ▇▇▇▇▇▇▇▇ met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;
d. geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar;
e. niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand;
f. stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;
g. vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
h. plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n);
i. schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende sala- ristoelage(n).
Lid 2
De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door of namens het bestuur college.; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie.
Lid 3
Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.
Artikel 16:1:3 Verantwoording
Lid 1 De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het bestuur of ten overstaan van een door het bestuur aangewezen vertegenwoordiger. De verant- woording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.
Lid 2
Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.
Lid 3
Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.
Artikel 16:1:4 Ontvangstbewijs
De ambtenaar verstrekt het bestuur een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafopleg- ging.
Artikel 16:1:5 Uitvoering straf
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroe- pelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit
Lid 1
De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame inzetbaarheid en loop- baanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
Lid 2
In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.
Lid 3
De ambtenaar maakt actief gebruik van het loopbaanbeleid en het beleid duurzame inzetbaarheid.
Artikel 17:1:1 Persoonlijk ontwikkelingsplan
Lid 1
Het dagelijks bestuur en de ambtenaar leggen in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.
Lid 2 Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het dagelijks bestuur vastgesteld.
Lid 3
Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en bud- gettaire voorwaarden van het opleidingsbeleid van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, zoals neergelegd in het door het dagelijks bestuur vastgestelde opleidingsplan.
Lid 4 De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door de werkgever vergoed.
Lid 5
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.
Lid 6
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:
de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten; de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;
de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de dienst van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland binnen een te bepalen periode na afronding van de studie; eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
Artikel 17:1:1:1
Lid 1
In tegenstelling tot hetgeen vermeld is in artikel 17:1:1 kunnen de kosten voor een opleiding geheel of gedeeltelijk worden vergoed.
Lid 2
In het persoonlijk ontwikkelingsplan kunnen afspraken worden gemaakt over het percentage van de vergoeding door de werkgever.
Artikel 17:1:1:2
Lid 1
De ambtenaar in dienst van de VNOG krijgt jaarlijks een POP gesprek. Lid 2
Zowel de leidinggevende als de medewerker kunnen onderwerpen aandragen voor de agenda. Lid 3
Zowel functioneren als ontwikkelen zijn onderwerpen die in het POP gesprek aan de orde komen.
Artikel 17:1:1:3
Lid 1
In tegenstelling tot lid 4 van artikel 17:1:1 van de CAR/UWO worden de kosten die gemaakt worden in het kader van het POP gedeeltelijk of volledig bekostigd, mits deze passen in het opleidingsplan.
Lid 2
Het vergoeden van een opleiding en ontwikkelingsactiviteiten kan slechts plaatsvinden voorzover het opleidingsbudget toereikend is. Mochten een opleiding en ontwikkelingsactiviteiten in aanmerking komen voor vergoeding, maar niet meer passen binnen de begroting van het opleidingsplan, dan kan afgesproken worden dat het volgen van deze opleiding en/of ontwikkelingsactiviteiten wordt uitgesteld. Lid 3 Met betrekking tot de opleiding en ontwikkelingsactiviteiten waarvoor op grond van lid 1 een vergoeding voor deelname-, cursus-, les- of collegegelden, examen- en diplomagelden wordt verstrekt, wordt een ook een vergoeding gegeven voor studiemateriaal met uitzondering van schrijfbehoeften, verzendkosten, duurzame gebruiksartikelen en niet verplicht voorgeschreven met de opleiding en ontwikkelingsactivi- teiten verband houdende boeken.
Lid 4
Indien een procentuele vergoeding van de studie door de werkgever wordt gegeven, geldt een evenre- dige vergoeding voor de overige kosten zoals beschreven in het vorige lid.
Artikel 17:1:1:4
De VNOG maakt gebruik van een indeling in categorieën om tot een toekenning van studiefaciliteiten te komen.
categorie 1: noodzakelijk voor het uitvoeren van de functie (functie-eis) categorie 2: wenselijk voor het uitvoeren van de functie (geen functie-eis)
categorie 3a: persoonlijke ontwikkeling met redelijk veel raakvlakken met de functie categorie 3b: persoonlijke ontwikkeling met enige raakvlakken met de functie categorie 3c: persoonlijke ontwikkeling zonder raakvlakken met de functie
De vergoedingspercentage per categorie ziet er als volgt uit:
Categorie 1 : 100% vergoeding door de werkgever Categorie 2 : 100% vergoeding door de werkgever Categorie 3a : 75% vergoeding door de werkgever Categorie 3b : 50% vergoeding door de werkgever Categorie 3c : 0% vergoeding door de werkgever
Artikel 17:1:1:5
Lid 1
Vergoeding van de studiekosten wordt eerst gegeven, nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de toegekende bedragen zal terugbetalen, indien:
a. hij de opleiding waarvoor de vergoeding is verleend, beëindigt voordat de termijn van toekenning is verstreken, zonder dat de opleiding en ontwikkelingsactiviteiten tot het behalen van een diplo- ma/certificaat hebben geleid;
b. de ambtenaar de in artikel 17:1:1:6 genoemde verplichtingen niet nakomt;
c. de ambtenaar op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt ontslagen voor het einde van de opleiding waarvoor vergoeding is toegekend, of binnen twee jaar na het behalen van het voor de betreffende opleiding en geldende diploma/certificaat;
d. de ambtenaar op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt ontslagen binnen twee jaar na het beëindigen van de opleiding zonder dat het door hem afgelegde examen, toets, tentamen tot het behalen van een diploma heeft geleid.
Lid 2 De terugbetalingsverplichting op grond van het voorgaande vervalt, indien voortzetting van de opleiding en ontwikkelingsactiviteiten redelijkerwijs niet van de ambtenaar kan worden verlangd.
Lid 3
Het bedrag gemoeid met de terugbetalingsverplichting, op grond van het gestelde in het eerste lid, wordt berekend over het geheel van alle in het betreffende kalenderjaar, in het kader van het POP of opleidingsplan toegekende bedragen ten behoeve van opleidingen en of cursussen.
Lid 4
De terugbetalingsverplichting op grond van het gestelde in lid 1, sub c en sub d kent een aflopend ka- rakter waarbij de terugbetaling naar evenredigheid wordt berekend: als de medewerker 23 maanden na afronding van de opleiding de organisatie verlaat betaalt hij/zij 1/24–ste van de kosten van de oplei- ding.
Lid 5
Het bevoegd gezag kan de ambtenaar op zijn verzoek, geheel of gedeeltelijk en al dan niet tijdelijk, ontheffen van de op hem rustende verplichting tot terugbetaling.
Artikel 17:1:1:6
Lid 1
De ambtenaar aan wie in het kader van het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en ontwikkelingsactiviteiten zijn toegekend, is verplicht zich te onderwerpen aan de examen(s)/ toets(en)/ tentamen(s) die voor de betreffende opleiding en ontwikkelingsactiviteiten gelden.
Lid 2 Deze verplichting vervalt indien dit op grond van persoonlijke omstandigheden niet kan worden verlangd. Lid 3 De uitslag van de examen(s)/ toets(en)/ tentamen(s) die voor de betreffende opleiding en ontwikkelings- activiteiten gelden dienen aan de leidinggevende en P&O te worden meegedeeld.
Artikel 17:1:1:7
Lid 1
In het geval dat leidinggevende en medewerker geen overeenstemming bereiken over het POP, dan kan de medewerker voor gezien ondertekenen. De motivatie hiervoor en toelichting hierbij dient dan toegevoegd te worden aan het POP formulier.
Lid 2
Het niet bereiken van overeenstemming wordt voorgelegd aan de naast hogere leidinggevende deze zal, na advies van P&O, een besluit nemen.
Lid 3
Een medewerker kan, indien het een besluit betreft wat onder de algemene wet bestuursrecht valt, bezwaar indienen tegen het besluit bij de Bezwaarschriftencommissie Personeelszaken.
Artikel 17:1:1:8 Bevoegd gezag is bevoegd in gevallen waarin deze lokale uitvoeringsregeling niet of niet in redelijkheid voorziet, een voorziening te treffen.
Artikel 17:2 Loopbaanadvies en beleid duurzame inzetbaarheid
Lid 1
Het bestuur begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van diens duur- zame inzetbaarheid en mobiliteit.
Lid 2
Het bestuur voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid, onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering en onderhoudt het beleid duurzame inzetbaarheid.
Lid 3
Het bestuur wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het loopbaanbeleid en het beleid duurzame inzetbaarheid.
Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget
Vervallen per 1-10-2017
Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan
Lid 1
Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het bestuur en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.
Lid 2 Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het bestuur vastgesteld.
Lid 3
Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en bud- gettaire voorwaarden van het opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het bestuur vastgestelde opleidingsplan.
Lid 4
De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het bestuur vergoed.
Lid 5
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.
Lid 6
In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:
de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten; de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;
de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;
de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de veiligheids- regio binnen een te bepalen periode na afronding van de studie; eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
Artikel 17:5 Loopbaanadvies
De ambtenaar heeft na elke periode van drie jaar recht op loopbaanadvies bij een door het bestuur aangewezen interne of externe deskundige.
Artikel 17:6 Belastbaarheid ambtenaar 50 jaar en ouder
In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het bestuur zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket of andere maatregelen gericht op duurzame inzetbaarheid.
Artikel 17:7 Flankerend beleid Het bestuur stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.
Artikel 17:8 Beleid duurzame inzetbaarheid
Lid 1
Het bestuur stelt in overleg met de ondernemingsraad een integraal beleid duurzame inzetbaarheid op waarin het geheel van lokale en landelijke faciliteiten is opgenomen.
Lid 2
Het beleid duurzame inzetbaarheid is gericht op het leveren van een bijdrage aan:
a. Gezondheid en welzijn;
b. Evenwichtige werk-privébalans;
c. Versterking van vakkennis en vaardigheden; en
d. Vergroting van motivatie en betrokkenheid. Lid 3
Het beleid bevat een toolbox waarin geboden faciliteiten zichtbaar en vindbaar zijn voor de ambtenaar. Lid 4
Het beleid is onderwerp van gesprek tussen bestuur en ondernemingsraad.
Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen
Lid 1
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. betrokkene:
de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR;
b. woongebied:
een door het bestuur aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de veiligheidsregio;
c. standplaats:
de veiligheidsregio of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;
d. gezinsleden:
de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkene en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;
e. eigen huishouding voeren:
het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bestuursorgaan;
f. berekeningsbasis:
het twaalfvoud van het salaris per maand inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen daar- mede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met 8%; en in voorkomende gevallen vermeerderd met:
1. genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 1 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;
2. genoten herplaatsingstoelage hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;
g. berekeningstijdstip:
- 1e datum waarop de betrokkene verhuist;
- 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling;
- 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop de laatste salarisbetaling heeft plaatsgevonden;
h. verplaatsen en verplaatsing:
veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;
i. verplaatsingskostenvergoeding:
tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, danwel van een verhuizing voortvloeiende uit in- diensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;
j. dienstwoning:
de door het bestuursorgaan aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aange- wezen woning.
Lid 2
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.
Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten
Lid 1
De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.
Lid 2
De betrokkene die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na ver- huizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstan- digheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen.
Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde organisatie of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.
Lid 3
De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terug- betalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.
Artikel 18:1:3 Betrekken of verlaten dienstwoning
Lid 1
De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.
Lid 2
Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend. Lid 3
Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.
Lid 4 Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.
Artikel 18:1:4 Geen tegemoetkoming
Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.
Artikel 18:1:5 Hoogte tegemoetkoming verhuiskosten
Lid 1
De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
a. een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in en uitpakken van breekbare zaken;
b. een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 312,49 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;
c. een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van
€ 6.249,44.
Lid 2 Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maxi- mum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maxi- mumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.
Lid 3
Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. In geval beide betrokkenen een deeltijddienstverband hebben en niet tevens een deeltijddienstverband bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijddienstverband. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis.
Lid 4
Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.
Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer
Lid 1
De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.
Lid 2
Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij door de veiligheidsregio al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.
Lid 3
Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Lid 4 Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen.
Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming woon- werkverkeer
Lid 1 De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.
Lid 2
De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.996 per jaar.
Lid 3
De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 104,44 op jaarbasis.
Lid 4
De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het bestuur de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis.
Lid 5
De betrokkene, die naar het oordeel van het bestuur de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.
Artikel 18:1:7a Vervallen
(Vervallen)
Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer
Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.
Artikel 18:1:9 Pensionkosten
Lid 1 De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrok- kene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.
Lid 2
De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse.
Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten
Lid 1
De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van be- trokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.
Lid 2
Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.
Lid 3
Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.
Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten
Lid 1
De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn ingediend.
Lid 2
Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doe t de betrok- kene bi j het bestuursorgaan opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.
Artikel 18:1:12 Voorschot
Het bestuursorgaan kan ter zake van dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.
Artikel 18:1:13 Slotbepaling
Het bestuur kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels be- slissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het bestuur niet of niet naar redelijkheid voorzien.
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 19:1 Werkingssfeer
Artikel 19:2 Begripsbepaling
Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties
Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden
Artikel 19:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de vrijwilliger die door het bestuur aangesteld is als brandweervrij- williger.
Artikel 19:1:0:1 Regeling niet repressieve vrijwilligers
In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 19 heeft Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland een Regeling niet repressieve vrijwilligers vastgesteld.
Klik hier om naar deze regeling te gaan.
Artikel 19:2 Begripsbepaling
Hoofdwerkgever:
Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de brandweervrijwilliger in loondienst is.
Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties
Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden.
Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te leven.
Lid 2 De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.
Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden
Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld aan:
de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het bestuur in aanmerking komt.
Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering
Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 19:7a Vervallen
Artikel 19:8 Bericht van aanstelling Artikel 19:9 Bevordering
Artikel 19:10 Vervallen
Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst
Lid 1
Het bestuur kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke dienst voor een bepaalde peri- ode.
Lid 2
Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van proef. Lid 3
Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal twee jaar verleend. In bijzon- dere gevallen kan de tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar. Lid 4
Het bestuur verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet geslaagd is.
Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling
Lid 1
Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.
Lid 2 Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:
a. hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen;
b. hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de veiligheidsregio naar behoren te vervullen;
c. hij is ten minste 18 jaar.
Artikel 19:7a Vervallen
(Vervallen)
Artikel 19:8 Bericht van aanstelling
Lid 1 De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:
a. de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger,
b. de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;
c. de ingangsdatum van de aanstelling;
d. de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die aan hem wordt toegekend. Lid 2
Het bestuur deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.
Artikel 19:9 Bevordering
Het bestuur kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.
Artikel 19:10 Medische keuring
(vervallen)
Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever
Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever
Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever
Lid 1
De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het bestuur bij indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het bestuur over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over wijzigingen.
Lid 2 De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het bestuur bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over wijzigingen.
Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever
Lid 1
De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na indiensttreding dat:
a. hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;
b. hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
c. de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;
d. de veiligheidsregio hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten tijdens werktijd;
e. ▇▇▇▇▇▇▇ van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
Lid 2
Indien het bestuur conform artikel 19:11 is geïnformeerd, informeert het bestuur de hoofdwerkgever over de aanspraken in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval van de vrijwilliger.
Paragraaf 4 Vergoedingen
Artikel 19:13 Vergoeding
Artikel 19:14 Jaarvergoeding
Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid
Artikel 19:18 Consignatievergoeding
Artikel 19:19 Kazerneringsdienst
Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap Artikel 19:21 Opleidingskosten
Artikel 19:22 Gratificatie
Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen Artikel 19:24 Salarismutaties
Artikel 19:13 Vergoeding
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de CAR-UWO.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.
Artikel 19:14 Jaarvergoeding
Lid 1
De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. Lid 2
De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.
Lid 3
In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.
Lid 4
In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of andere hulpverlening.
Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
Lid 1
De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met toestemming van het bestuur, of in opdracht van het bestuur overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.
Lid 2
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding.
Lid 3
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
Lid 1
De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een vergoeding.
Lid 2
De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom.
Lid 3
In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid
Lid 1
De vrijwilliger die, in opdracht van het bestuur, vijf uur of langer ingezet wordt voor oefeningen, cur- sussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aange- steld, in de vijfde kolom.
Lid 2
Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.
Lid 3 De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft.
Artikel 19:17:1 Managementtaken vrijwillig kaderlid met managementtaken
Dit artikel is met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2018 ingetrokken.
Artikel 19:17:2 Uitrukken tijdens kantooruren
Lid 1
Dit artikel is alleen van toepassing op medewerkers waarvoor repressief optreden geen onderdeel is van de functie.
Lid 2
Indien een medewerker van de VNOG naast zijn aanstelling als medewerker van de VNOG ook een aanstelling als vrijwilliger heeft, dan mag hij/zij de uren voor een inzet tijdens kantooruren worden ge- declareerd als uren brandbestrijding en hulpverlening.
Lid 3
Deze uren hoeven niet als verlof van het verloftegoed worden afgetrokken. Lid 4
Het reguliere werk mag hier niet onder lijden. Als het noodzakelijk is om overuren te maken om het werk af te krijgen, dan worden deze uren niet als overwerk aangemerkt.
Artikel 19:17:3 Wel naar kazerne, geen uitruk
Lid 1 Indien de vrijwilliger wordt opgeroepen en naar de kazerne gaat, maar niet meegaat met de uitruk, mag hij/zij 1 uur declareren tegen het uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening.
Lid 2
Dit artikel is ook van toepassing op de vrijwilliger die in het kader van loos alarm naar de kazerne gaat.
Artikel 19:17:4 Keuring
Lid 1
De uren voor een brandweerkeuring worden tegen het uurbedrag voor oefening en cursussen e.d. vergoed. Voor deze keuring mag 4 uur worden gedeclareerd.
Lid 2
Voor overige keuringen, zoals de keuring voor het groot rijbewijs of aanvullend onderzoek, mogen de werkelijke uren gedeclareerd worden tegen het uurbedrag voor oefeningen en cursussen e.d..
Lid 3
Reistijd wordt conform de algemene bepalingen in de CAR niet vergoed. Lid 4
Reiskosten worden conform de algemene bepalingen in de CAR alleen vergoed als keuring op locatie niet mogelijk is en er geen dienstvervoer beschikbaar is.
Artikel 19:17:5 Verrichten onderhoud materiaal/materieel
Dit artikel is met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2018 ingetrokken.
Artikel 19:17:6 Reistijd bij opleidingen en cursussen
Lid 1
In het geval de reistijd voor opleidingen en/of cursussen langer dan 0,5 uur enkele reis bedraagt, dan wordt de reistijd meegenomen in het aantal uren (minus het eerste en het laatste half uur).
Lid 2
De reistijd wordt berekend volgens de ANWB routeplanner aan de hand van de snelste tijd. Lid 3
Dit artikel is alleen van toepassing op alle repressieve opleidingen.
Artikel 19:17:7 Realistisch oefenen Nederland
Lid 1 Realistisch oefenen in Nederland wordt vergoed tegen het uurbedrag voor oefenen en cursussen, tenzij de oefening langer duurt dan vijf uur, dan wordt het uurbedrag voor langdurige aanwezigheid gehan- teerd.
Lid 2
Het aantal uren voor een realistische oefening wordt door de Teamleider IB bepaald en is afhankelijk van de oefenlocatie.
Lid 3
De reistijd wordt tegen het uurbedrag van oefeningen en cursussen vergoed, en wordt bepaald door de Teamleider IB.
Artikel 19:17:8 Realistisch oefenen buitenland
Lid 1
Indien een vrijwilliger voor een realistische oefening naar het buitenland gaat, dan krijgt hij/zij hier een vergoeding voor van 8 uur per oefendag tegen het uurbedrag voor langdurige aanwezigheid.
Lid 2
De reistijd wordt tegen het uurbedrag van oefeningen en cursussen vergoed, met een maximum van twee keer 8 uur.
Artikel 19:17:9 Deelname en oefenen wedstrijden
Lid 1
Indien het oefenen voor een wedstrijd noodzakelijk is, dan mogen deze uren tegen het uurbedrag voor oefeningen en cursussen e.d. gedeclareerd worden.
Lid 2
De berekening van het aantal uren voor zowel het oefenen als ook de deelname aan een wedstrijd gaat in op het moment van aankomst op de kazerne.
Lid 3
Het maximale aantal uur dat gedeclareerd kan worden voor het oefenen voor een wedstrijd is 10 uur per wedstrijdklasse. Voor daadwerkelijke deelname aan een wedstrijd kan maximaal 4 uur per wedstrijd- dag gedeclareerd worden.
Artikel 19:18 Consignatievergoeding
De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding.
Deze vergoeding bedraagt:
a. per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen,
de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd en iedere andere dag die daarnaast door het bestuur wordt aangewezen als feestdag;
b. per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.
Artikel 19:19 Kazerneringsdienst
Het bestuur kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van kazerneringsdiensten.
Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap
Lid 1
De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij niet ingezet wordt in de re- pressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.
Lid 2
De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspa- troon in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het bestuur deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon.
Artikel 19:21 Opleidingskosten Het bestuur vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het bestuur zijn gemaakt.
Artikel 19:22 Gratificatie
Bij lokale regeling kan het bestuur regels vaststellen voor het toekennen van een gratificatie.
Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen
De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.
Artikel 19:24 Salarismutaties
De algemene salarismutaties die in het LOAV worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op eurocenten.
Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding
Artikel 19:25 Ongevallenverzekering
Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting
Artikel 19:25 Financiële compensatie bij dienstongeval
Lid 1 Vervallen. Lid 2
Het bestuur biedt een financiële compensatie aan de vrijwilliger voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, alsmede voor blijvende lichamelijke invaliditeit/arbeidsongeschiktheid of overlijden ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio.
Lid 3 Vervallen. Lid 4 Vervallen. Lid 5 Vervallen.
Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten
Lid 1
Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid, alsmede bij blijvende lichamelijk invaliditeit/arbeidsongeschiktheid of overlijden ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio komt de vrijwilliger in aanmerking voor vergoeding van noodzakelijk gemaakte medische kosten, die hieruit ontstaan en voor zijn rekening blijven.
Lid 2
De aanspraken voortvloeiend uit het eerste lid zijn uitgewerkt in een regeling.
Artikel 19:27 Financiële compensatie zelfstandige ondernemers
Lid 1 Het bestuur biedt financiële compensatie aan de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio.
Lid 2 Vervallen.
Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting
Het bestuur vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.
Paragraaf 6 Zwangerschap
Artikel 19:29 Zwangerschap
Artikel 19:29 Zwangerschap
Lid 1
De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij het bestuur. Lid 2
Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten.
Lid 3
Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.
Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger
Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger Artikel 19:31 Verplichtingen
Artikel 19:32 Eed of belofte Artikel 19:33 Verboden
Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig Artikel 19:35 Kledingvoorschrift
Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding Artikel 19:37 Vergoeding van schade
Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger
Lid 1
Het bestuur stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de brandweerdienst. Lid 2
De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die door of vanwege het bestuur zijn georganiseerd.
Lid 3 De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het bestuur.
Artikel 19:31 Verplichtingen
Lid 1
De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.
Lid 2
De vrijwilliger is verplicht zo spoedig mogelijk melding te doen van persoonlijke omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van zijn functie.
Artikel 19:32 Eed of belofte
De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het bestuur is voorgeschreven.
Artikel 19:33 Verboden
Het is de vrijwilliger verboden:
a. de aan de veiligheidsregio toebehorende eigendommen aan te wenden voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het bestuur;
b. vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of namens het bestuur;
c. steekpenningen aan te nemen.
Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig
Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverze- kering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het bestuur toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
Artikel 19:35 Kledingvoorschriften
Lid 1
De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door of namens het bestuur voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.
Lid 2
De dienstkleding en uitrustingsstukken worden kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij het bestuur in te leveren.
Lid 3
De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het bestuur opdracht is gegeven.
Lid 4
Het bestuur is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en uitrustingsstukken.
Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding
Het is de vrijwilliger verboden:
a. de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen waarin het bestuur daarvoor toestemming heeft verleend;
b. de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te geven;
c. dienstkleding te dragen voorzien van:
I. andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;
II. insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de staat of door het bestuur toestemming is verleend.
Artikel 19:37 Vergoeding van schade
Lid 1
De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de veiligheidsregio schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
Lid 2
De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn vergoeding.
Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de dienst
Artikel 19:38 Plichtsverzuim Artikel 19:39 Disciplinaire straffen
Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst
Artikel 19:38 Plichtsverzuim
Lid 1
De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft. Lid 2
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 19:39 Disciplinaire straffen
De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:
a. schriftelijke berisping;
b. inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel 19:14;
c. schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de vergoeding;
d. ongevraagd ontslag.
Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst
De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:
a. wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;
b. wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;
c. wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens misdrijf;
d. in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.
Paragraaf 9 Ontslag
Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag
Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband
Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek
Lid 1
Het bestuur verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom verzoekt. Lid 2
Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het verzoek.
Lid 3
Het bestuur kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden, wanneer tegen de vrijwil- liger een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.
Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag
Lid 1
Het bestuur kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:
a. het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of wegens verandering van de brandweerorga- nisatie;
b. de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te vervullen;
c. onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
d. onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;
e. ondercuratelestelling;
f. toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
g. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
h. een in het ontslagbesluit genoemde andere grond; Lid 2
Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel.
Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband
Lid 1
De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van voren- bedoelde periode in vaste dienst.
Lid 2 De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.
Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Vergoedingentabellen
De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.
Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Artikel 19a:1 Algemeen
Lid 1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.
Lid 2
Het bestuur kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is.
Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring
Lid 1 Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan.
Lid 2
Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.
Lid 3
Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe door het bestuur zijn aangewezen.
Lid 4
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de veiligheidsregio.
Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek
Lid 1
Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).
Lid 2
Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de CAR. Lid 3
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of minimaal een half jaar na in- dienstreding.
Lid 4
Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd van:
a. jonger dan veertig één keer in de vier jaar;
b. tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;
c. ▇▇▇▇▇ dan vijftig jaar eens per jaar. Lid 5
Als het bestuur daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen.
Lid 6
Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het bestuur de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd.
Lid 7
Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de beroepsmedewerker recht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 1:1 lid 1 qq en rr en de vrijwillige medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
Lid 8
Het bestuur kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.
Artikel 19a:4 Fysieke test
Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.
Artikel 19b:1 Vervallen
Hoofdstuk 19b is vervallen per 01-01-2023.
Paragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer
Artikel 20:1:1 Vergoeding beschikbaarheid (10/16)
De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.
Artikel 20:1:2 Vergoeding in verlof (10/16)
Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden.
Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het bestuur wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.
Artikel 20:1:3 Vergoeding in geld (10/16)
Indien naar het oordeel van de commandant het bestuur dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het bestuur wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.
Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
Artikel 20:2 Toepassing hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
Lid 1
Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een veiligheidsregio, onderdeel brandweer, werkzaam is in een dienstrooster, en die voor wat betreft de vaststelling van zijn werktijden valt onder artikel 4:8.
Lid 2
De artikelen 3:11 (TOD) en 3:18 (overwerk) zijn niet van toepassing op de ambtenaar genoemd in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de lokale regels over vergoeding van het verrichten van onregel- matige diensten en overwerk van toepassing, zoals deze op 31 december 2015 lokaal golden.
Lid 3
Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling verschuivingstoelage van kracht was, dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing op de ambtenaar genoemd in het eerste lid.
Lid 4
Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was die voorziet in een functiegebonden toelage dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing voor de ambtenaar genoemd in het eerste lid.
Lid 5
Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2 tot en met 4 genoemde lokale regelingen in het lokale overleg gewijzigd kunnen worden.
Paragraaf 3 Opbouw IKB
Artikel 20:3 Opbouw IKB
Artikel 20:3 Toepassing hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters Indien op 31 december 2015 lokaal was bepaald dat de structurele vergoeding en toelagen van hoofdstuk 20 werden meegenomen in de opbouw van de vakantietoelage, worden de structurele vergoedingen en toelagen van hoofdstuk 20 meegenomen in de opbouw van het IKB als bedoeld in artikel 3:28 lid 2 onderdeel a.
Artikel 21:1:1 Begripsbepaling
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeen- schappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het bestuur nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.
Artikel 21:2:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot
De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat 'echtgenoot' moet tevens worden gelezen 'levenspartner'.
Artikel 21:1:3 Vervallen
(Vervallen)
Artikel 21:1:4 Onvoorziene gevallen
In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het bestuur een passende voorziening.
Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepalingen
Lid 1
Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998. Lid 2
Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, danwel gedeelten daarvan in werking treden, dat de bepalingen vervallen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling. Lid 3
Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.
Aanvullende regelingen Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland
De aanvullende regelingen van Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland zijn te raadplegen in de module Personeelshandboek.
Bijlage I Salarisverhoging
In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met 2%.
Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%.
Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%, behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995 werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996 een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De grondslag bestaat uit de over de maanden au- gustus tot en met december 1995 genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en in de peri- ode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt. Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op personeel van zorginstellingen van toepassing.
Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.
Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het jaarsalaris. Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.
In december 1997 wordt, naast de al bestaande eindejaarsuitkering van 0,3%, een eenmalige uitkering verstrekt van 0,7% van het jaarsalaris met dien verstande dat die uitkering minimaal ƒ 350,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,25%. In december 1998 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% met 0,5% van het jaarsalarisverhoogd tot 0,8% met dien verstande dat uitkering minimaal ƒ 400,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%. Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.
In december 1999 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% structureel met 0,5% van het jaar- salaris verhoogd tot 0,8% structureel van het jaarsalaris, met dien verstande dat de uitkering minimaal ƒ 400,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.
Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%. Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.
In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd met 0,5% onder een ge- lijktijdjge eenmalige verhoging van het minimale bedrag met f 250,--. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een minimaal bedrag van f 650,--.
Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaalbedragen gebruteerd met 1,9% met een maximum van f 1.745,--.
Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.
Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% (0,2%+0,75%) structureel verhoogd naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van f 400,-- naar f 1.125,-- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd met f 50,-- naar f 1.175,-- bruto.
Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van € 511,-. Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3 %.
Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5 %.
Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt verhoogd naar 2,75%. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,-- naar € 611,-- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering het jaarsalaris.
Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2%.
Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt verhoogd naar 3%. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van € 611,--naar € 836,-- bruto.
Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 200 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.
Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6 %. Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,8%. Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.
In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=.
Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.
In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=. In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 verme- nigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn pensioen- gevend en hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a, 10d, 1 en 11a van de CAR). Met ingang van 1 januari 20 1 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en wordt de eindejaars- uitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.
Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.
Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.
Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50 euro. Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met 3%. Met ingang van 1 januari 2017 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,4%. Met ingang van 1 augustus 2017 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. Met ingang van 1 januari 2018 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%. Met ingang van 1 oktober 2019 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,25%. Met ingang van 1 januari 2020 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,00% Met ingang van 1 juli 2020 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,00%
Met ingang van 1 oktober 2020 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,00% Met ingang van 1 december 2021 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%
Degenen die op 3 november 2021 in dienst zijn van de veiligheidsregio’s krijgen in december 2021 een eenmalige uitkering van € 1200 bruto bij een volledige betrekking. De uitkering bestaat uit eenmalig een bedrag van € 900 bruto en een eenmalige coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De eenmalige uitkering van € 900 bruto per december 2021 wordt als variabele toelage in het volgende jaar 2023 tot het pensioengevend inkomen gerekend. De eenmalige coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto wordt niet tot het pensioengevend inkomen gerekend. De eenmalige uitkering telt niet mee in de opbouw van het IKB en werkt niet door naar de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie. Met ingang van 1 april 2022 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,4% Eenmalige uitkering december 2022: Degenen die op 1 december 2022 in dienst zijn van de Veiligheids- regio’s krijgen in december 2022 een eenmalige uitkering van bruto € 750 voor de medewerkers tot en met schaal 8 (inclusief schaal A) en bruto € 375 voor de medewerkers vanaf schaal 9. Bij een deeltijd- betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De eenmalige uitkering wordt als variabele toelage in het volgende jaar 2023 tot het pensioengevend inkomen gerekend. De eenmalige uitkering telt niet mee in de opbouw van het IKB en werkt niet door naar de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
Met ingang van 1 mei 2024 worden de schaalbedragen verhoogd met 6,4%.
Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen
Salaristabel gemeenteambtenaren oude structuur is vervallen per 1 januari 2016.
Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1 januari 2018
Regelnummer 33
35
Garantieschalen 3476
3603
37 | 3729 |
39 | 3842 |
41 | 3961 |
43 | 4086 |
45 | 4217 |
47 | 4345 |
49 | 4468 |
51 | 4592 |
53 | 4710 |
57 | 4959 |
59 | 5077 |
61 | 5201 |
63 | 5340 |
67 | 5648 |
69 | 5802 |
73 | 6109 |
75 | 6264 |
77 | 6441 |
79 | 6615 |
81 | 6788 |
83 | 6978 |
85 | 7182 |
87 | 7386 |
89 | 7591 |
91 | 7795 |
93 | 8000 |
95 | 8207 |
Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren Salaristabel per 1 februari 2025, nieuwe structuur
Periodiek | Schaal 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
0 | 2.018 | 2.062 | 2.112 | 2.169 | 2.228 | 2.368 | 2.644 | 3.010 | 3.328 | 3.581 |
1 | 2.062 | 2.128 | 2.194 | 2.260 | 2.329 | 2.471 | 2.750 | 3.127 | 3.465 | 3.742 |
2 | 2.110 | 2.193 | 2.277 | 2.352 | 2.430 | 2.574 | 2.858 | 3.245 | 3.602 | 3.903 |
3 | 2.157 | 2.259 | 2.359 | 2.443 | 2.531 | 2.677 | 2.964 | 3.362 | 3.739 | 4.065 |
4 | 2.205 | 2.324 | 2.442 | 2.535 | 2.632 | 2.780 | 3.071 | 3.479 | 3.876 | 4.226 |
5 | 2.253 | 2.390 | 2.524 | 2.627 | 2.733 | 2.883 | 3.177 | 3.597 | 4.013 | 4.388 |
6 | 2.300 | 2.454 | 2.607 | 2.719 | 2.834 | 2.985 | 3.285 | 3.715 | 4.151 | 4.549 |
7 | 2.348 | 2.520 | 2.689 | 2.811 | 2.934 | 3.088 | 3.391 | 3.832 | 4.288 | 4.710 |
8 | 2.396 | 2.585 | 2.772 | 2.903 | 3.035 | 3.191 | 3.498 | 3.950 | 4.424 | 4.872 |
9 | 2.443 | 2.651 | 2.854 | 2.994 | 3.137 | 3.294 | 3.604 | 4.067 | 4.561 | 5.034 |
10 | 2.491 | 2.716 | 2.937 | 3.086 | 3.237 | 3.397 | 3.712 | 4.185 | 4.698 | 5.194 |
11 | 2.539 | 2.782 | 3.019 | 3.177 | 3.338 | 3.500 | 3.818 | 4.302 | 4.835 | 5.356 |
Periodiek | Schaal 10A | 11 | 11A | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
0 | 3.935 | 4.267 | 4.686 | 5.104 | 5.686 | 6.033 | 6.479 | 6.929 | 7.656 | 8.474 |
1 | 4.101 | 4.439 | 4.857 | 5.276 | 5.854 | 6.236 | 6.714 | 7.203 | 7.951 | 8.792 |
2 | 4.266 | 4.611 | 5.029 | 5.446 | 6.023 | 6.440 | 6.949 | 7.477 | 8.247 | 9.109 |
3 | 4.432 | 4.783 | 5.200 | 5.615 | 6.191 | 6.643 | 7.184 | 7.752 | 8.542 | 9.427 |
4 | 4.597 | 4.954 | 5.372 | 5.783 | 6.359 | 6.847 | 7.419 | 8.025 | 8.838 | 9.744 |
5 | 4.763 | 5.126 | 5.540 | 5.952 | 6.528 | 7.050 | 7.655 | 8.299 | 9.133 | 10.062 |
6 | 4.928 | 5.299 | 5.709 | 6.120 | 6.696 | 7.254 | 7.890 | 8.573 | 9.429 | 10.379 |
7 | 5.094 | 5.468 | 5.878 | 6.288 | 6.865 | 7.458 | 8.126 | 8.847 | 9.724 | 10.698 |
8 | 5.259 | 5.637 | 6.046 | 6.457 | 7.034 | 7.661 | 8.361 | 9.121 | 10.020 | 11.015 |
9 | 5.423 | 5.806 | 6.214 | 6.625 | 7.201 | 7.864 | 8.596 | 9.395 | 10.315 | 11.333 |
10 | 5.585 | 5.974 | 6.383 | 6.794 | 7.370 | 8.068 | 8.831 | 9.669 | 10.611 | 11.650 |
11 5.748
6.143
6.551
6.963
7.539
8.272
9.066
9.943
10.906
11.968
Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid geldt een aparte schaal: schaal
A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 1 is gelijk aan 120% van het wettelijk minimumloon.
Salaristabel per 1 mei 2024, nieuwe structuur
Periodiek | Schaal 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
0 | 2.018 | 2.062 | 2.112 | 2.169 | 2.228 | 2.368 | 2.644 | 3.010 | 3.328 | 3.581 |
1 | 2.062 | 2.128 | 2.194 | 2.260 | 2.329 | 2.471 | 2.750 | 3.127 | 3.465 | 3.742 |
2 | 2.110 | 2.193 | 2.277 | 2.352 | 2.430 | 2.574 | 2.858 | 3.245 | 3.602 | 3.903 |
3 | 2.157 | 2.259 | 2.359 | 2.443 | 2.531 | 2.677 | 2.964 | 3.362 | 3.739 | 4.065 |
4 | 2.205 | 2.324 | 2.442 | 2.535 | 2.632 | 2.780 | 3.071 | 3.479 | 3.876 | 4.226 |
5 | 2.253 | 2.390 | 2.524 | 2.627 | 2.733 | 2.883 | 3.177 | 3.597 | 4.013 | 4.388 |
6 | 2.300 | 2.454 | 2.607 | 2.719 | 2.834 | 2.985 | 3.285 | 3.715 | 4.151 | 4.549 |
7 | 2.348 | 2.520 | 2.689 | 2.811 | 2.934 | 3.088 | 3.391 | 3.832 | 4.288 | 4.710 |
8 | 2.396 | 2.585 | 2.772 | 2.903 | 3.035 | 3.191 | 3.498 | 3.950 | 4.424 | 4.872 |
9 | 2.443 | 2.651 | 2.854 | 2.994 | 3.137 | 3.294 | 3.604 | 4.067 | 4.561 | 5.034 |
10 | 2.491 | 2.716 | 2.937 | 3.086 | 3.237 | 3.397 | 3.712 | 4.185 | 4.698 | 5.194 |
11 | 2.539 | 2.782 | 3.019 | 3.177 | 3.338 | 3.500 | 3.818 | 4.302 | 4.835 | 5.356 |
Periodiek | Schaal 10A | 11 | 11A | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
0 | 3.935 | 4.267 | 4.686 | 5.104 | 5.686 | 6.033 | 6.479 | 6.929 | 7.656 | 8.474 |
1 | 4.101 | 4.439 | 4.857 | 5.276 | 5.854 | 6.236 | 6.714 | 7.203 | 7.951 | 8.792 |
2 | 4.266 | 4.611 | 5.029 | 5.446 | 6.023 | 6.440 | 6.949 | 7.477 | 8.247 | 9.109 |
3 | 4.432 | 4.783 | 5.200 | 5.615 | 6.191 | 6.643 | 7.184 | 7.752 | 8.542 | 9.427 |
4 | 4.597 | 4.954 | 5.372 | 5.783 | 6.359 | 6.847 | 7.419 | 8.025 | 8.838 | 9.744 |
5 | 4.763 | 5.126 | 5.540 | 5.952 | 6.528 | 7.050 | 7.655 | 8.299 | 9.133 | 10.062 |
6 | 4.928 | 5.299 | 5.709 | 6.120 | 6.696 | 7.254 | 7.890 | 8.573 | 9.429 | 10.379 |
7 | 5.094 | 5.468 | 5.878 | 6.288 | 6.865 | 7.458 | 8.126 | 8.847 | 9.724 | 10.698 |
8 | 5.259 | 5.637 | 6.046 | 6.457 | 7.034 | 7.661 | 8.361 | 9.121 | 10.020 | 11.015 |
9 | 5.423 | 5.806 | 6.214 | 6.625 | 7.201 | 7.864 | 8.596 | 9.395 | 10.315 | 11.333 |
10 | 5.585 | 5.974 | 6.383 | 6.794 | 7.370 | 8.068 | 8.831 | 9.669 | 10.611 | 11.650 |
11 | 5.748 | 6.143 | 6.551 | 6.963 | 7.539 | 8.272 | 9.066 | 9.943 | 10.906 | 11.968 |
Salaristabel per 2 januari 2023, nieuwe structuur
Periodiek | Schaal 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
0 | 1.897 | 1.938 | 1.985 | 2.038 | 2.094 | 2.226 | 2.485 | 2.829 | 3.128 | 3.365 |
1 | 1.938 | 2.000 | 2.062 | 2.124 | 2.189 | 2.323 | 2.585 | 2.939 | 3.257 | 3.517 |
2 | 1.983 | 2.061 | 2.140 | 2.211 | 2.284 | 2.419 | 2.686 | 3.049 | 3.385 | 3.668 |
3 | 2.028 | 2.12 3 | 2.217 | 2.296 | 2.379 | 2.516 | 2.786 | 3.160 | 3.514 | 3.820 |
4 | 2.072 | 2.184 | 2.295 | 2.383 | 2.474 | 2.613 | 2.886 | 3.270 | 3.643 | 3.972 |
5 | 2.117 | 2.246 | 2.372 | 2.469 | 2.568 | 2.710 | 2.986 | 3.380 | 3.771 | 4.124 |
6 | 2.162 | 2.307 | 2.450 | 2.555 | 2.663 | 2.806 | 3.087 | 3.492 | 3.901 | 4.275 |
7 | 2.207 | 2.368 | 2.527 | 2.642 | 2.758 | 2.902 | 3.187 | 3.602 | 4.030 | 4.427 |
8 | 2.252 | 2.430 | 2.605 | 2.728 | 2.853 | 2.999 | 3.288 | 3.712 | 4.158 | 4.579 |
9 | 2.296 | 2.491 | 2.682 | 2.814 | 2.948 | 3.096 | 3.388 | 3.823 | 4.287 | 4.731 |
10 | 2.341 | 2.553 | 2.760 | 2.900 | 3.042 | 3.193 | 3.488 | 3.933 | 4.416 | 4.882 |
11 | 2.386 | 2.615 | 2.838 | 2.986 | 3.137 | 3.289 | 3.588 | 4.043 | 4.544 | 5.034 |
Periodiek | Schaal 10A | 11 | 11A | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
0 | 3699 | 4010 | 4404 | 4797 | 5344 | 5670 | 6089 | 6513 | 7195 | 7964 |
1 | 3855 | 4172 | 4565 | 4959 | 5502 | 5861 | 6310 | 6770 | 7473 | 8263 |
2 | 4010 | 4333 | 4727 | 5118 | 5660 | 6053 | 6531 | 7027 | 7751 | 8561 |
3 | 4166 | 4495 | 4887 | 5277 | 5818 | 6243 | 6752 | 7285 | 8028 | 8860 |
4 | 4321 | 4656 | 5049 | 5435 | 5977 | 6435 | 6973 | 7543 | 8306 | 9158 |
5 | 4477 | 4818 | 5207 | ▇▇▇▇ | ▇▇▇▇ | ▇▇▇▇ | 7194 | 7800 | 8584 | 9457 |
6 | 4632 | 4980 | 5365 | 5751 | 6294 | 6818 | 7416 | 8057 | 8862 | 9755 |
7 | 4788 | 5140 | 5524 | 5910 | 6452 | 7009 | 7637 | 8315 | 9139 | 10054 |
8 | 4943 | 5298 | 5682 | 6068 | 6611 | 7201 | 7858 | 8572 | 9417 | 10352 |
9 | 5097 | 5457 | 5840 | 6227 | 6768 | 7391 | 8079 | 8830 | 9695 | 10651 |
10 | 5249 | 5615 | 5999 | 6385 | 6927 | 7583 | 8300 | 9087 | 9972 | 10949 |
11 | 5402 | 5773 | 6157 | 6544 | 7085 | 7774 | 8521 | 9345 | 10250 | 11248 |
Tabel doorbetalingspercentages ouderschapsverlof (m.i.v. 1 januari 2024)
Salaristabel per 2 januari 2023, nieuwe structuur
Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker per 1 augustus 2017 recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML voor medewerkers van 22 jaar en ouder. Vanaf 1 juli 2019 heeft de medewerker tenminste recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML voor mede- werkers van 21 jaar en ouder. Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 1 is gelijk aan 120% van het wettelijk minimumloon.
Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij veiligheidsregio’s Vergoedingentabel be- treffende de vrijwilligers bij veiligheidsregio’s per 1 mei 2024
jaarvergoeding | uurbedrag oefenin- gen en cursussen e.d. | uurbedrag voor brandbe- strijding en hulpverlening | uurbedrag voor langdu- rig aanwezigheid | |
1. Aspirant manschap | 450 | 13,90 | 25,99 | 17,31 |
2. Manschap met maxi- maal 1 specialisatie (Chauffeur, Voertuig- bediener, Gaspakdrager, Brand- weerduiker of Ver-kenner/Verken- ner gevaarlijke stoffen) | 450 | 15,97 | 30,04 | 20,00 |
3. Duikploegleider, of Manschap met 2 of meer specialisaties uit categorie 2, of langer dan 5 jaar Manschap in categorie 2 | 450 | 17,72 | 33,23 | 22,15 |
4. Bevelvoerder | 675 | 22,22 | 41,74 | 27,81 |
5. Officier van dienst | 5.318 | 0,00 | 53,18 | 0,00 |
6. Hoofdofficier van dienst, advi- seur gevaarlijke stoffen | 7.638 | 0,00 | 76,38 | 0,00 |
7. Commandant van dienst | 11.361 | 0,00 | 85,24 | 0,00 |
Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij veiligheidsregio’s Gebruteerde vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij veiligheidsregio’s per 1 mei 2024
1. Aspirant manschap
2. Manschap met maximaal 1 speci- alisatie (Chauffeur, Voertuigbedie- ner, Gaspakdrager, Brandweerdui- ker of Verkenner/Verkenner gevaar- lijke stoffen)
3. Duikploegleider, of Manschap met 2 of meer specialisaties uit ca- tegorie 2, of langer dan 5 jaar Man- schap in categorie 2
jaarvergoeding
454
454
454
uurbedrag oefe- ningen en cursus- sen e.d.
14,09
16,05
17,79
uurbedrag voor brandbe- strijding en hulpverlening
26,43
30,63
33,76
uurbedrag voor langdu- rig aanwezigheid
17,59
20,41
22,51
4. Bevelvoerder | 687 | 22,26 | 42,37 | 28,24 |
5. Officier van dienst | 5.419 | 0,00 | 54,19 | 0,00 |
6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen | 7.776 | 0,00 | 77,76 | 0,00 |
7. Commandant van dienst | 11.576 | 0,00 | 86,76 | 0,00 |
In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt ge- wijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwil- ligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage IIb.
Bijlage III Hoorbepaling
Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor veiligheidsregio’s waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.
Artikel 12:1
Lid 1
Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg plaats aangaande aangele- genheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de alge- mene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien door het LOAV - overleg tussen de WVSV en de centrales van overheidspersoneel.
Lid 2 Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke verenigingen van overheids- personeel aangesloten bij de centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid bedoeld.
Lid 3
Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal zijn, het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken. Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting toegelaten.
Lid 4
Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de organisatie in gebreke is gebleven binnen de In het vorige lid bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.
Lid 5
Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de bevoegdheid van de raad het alge- meen bestuur, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het besluit tevens het gevoelen van de organisaties ter zake.
Lid 6
Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de organisaties.
Bijlage IV Salarisschalen kunstzinnige vorming
(vervallen per 1-1-2023
Bijlage ▇▇▇ ▇▇▇▇▇▇▇▇ voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie
(vervallen per 1-1-2023)
Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de kunsteducatie
(vervallen per 1-1-2023)
Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige vorming
(Vervallen)
Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming
(Vervallen)
Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming
(Vervallen)
Bijlage VI Vervallen
(Vervallen)
Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel
Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onder- staande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het ▇▇▇▇▇▇▇ Instituut. Deze uitwerking is te vinden op ▇▇▇.▇▇▇.▇▇.
Bijzondere functie-eis:
1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen
2. Emotionele piekbelasting
3. Energetische piekbelasting
4. Goed gezichtsvermogen
5. Goed gehoorsvermogen
6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen
7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten
8. Tillen/dragen
9. Knielen/hurken 10.Klimmen/klauteren/traplopen
11.Houdingen en krachtleverantie met rug
Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in keuring:
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:bekendheid met ▇▇▇▇▇▇- singsprobleem bij onregelmatige diensten,
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: recent doorgemaakt trauma
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:fysieke activiteit inzetbaar- heid (PAR-Q)
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gezichtsvermogen
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met gehoorsvermogen
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: geldige inentingen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:problemen met tillen
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheids- klachten
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheidsklach- ten
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige rugklachten
Kort na de volgende basismetingen verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het werk te kunnen aantonen: - longfunctiebepaling met behulp van spirometrie - audiogram afname
Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek
Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De uit- werking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het ▇▇▇▇▇▇▇ Instituut. Deze uitwerking is te vinden op ▇▇▇.▇▇▇.▇▇.
Bijzondere functie-eis:
1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen
2. Emotionele piekbelasting
3. Energetische piekbelasting
4. Goed gezichtsvermogen
5. Goed gehoorsvermogen
6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen
7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten
8. Tillen/dragen
9. Knielen/hurken 10.Klimmen/klauteren/traplopen
11.Houdingen en krachtleverantie met rug 1-11 met als doel signalering voor begeleiding
Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden in keuring
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: recent doorgemaakt trauma
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met ge- zichtsvermogen tijdens werk
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige problemen met ge- hoorvermogen tijdens werk
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:overgevoeligheid huid / hui- dige huidaandoening
Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige aanwezigheid infec- tieziekten die een gevaar voor anderen kunnen opleveren
Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:problemen met tillen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheidsklachten Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige duizeligheidsklachten Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige rugklachten
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
Lid 1
Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:
a. ambtenaar:
hij die door de veiligheidsregio is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;
b. functie:
het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;
c. Pensioenreglement:
het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
d. pensioen:
een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
e. arbeidsduur:
de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;
f. arbeidsduur per dag:
de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;
g. formele arbeidsduur per week:
de arbeidsduur volgens de aanstelling;
h. feitelijke arbeidsduur per week:
de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;
i. vervallen;
j. arbeidsduur per jaar:
de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;
k. dienstverband:
een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst;
l. overwerk:
werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;
m. werkdag:
een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;
n. werktijd:
de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;
o. uurloon:
1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de amb- tenaar per maand;
p. Zvw :
de Zorgverzekeringswet
q. CAR:
Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Veiligheidsregio’s;
r. UWO:
UitwerkingsOvereenkomst Veiligheidsregio’s;
s. vervallen;
t. vervallen;
u. LOGA:
Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;
LOAV :
Landelijk Overleg Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio’s;
v. WAO:
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
w. vervallen;
x. WAO-uitkering:
een uitkering op grond van de WAO;
y. WIA:
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
z. IVA:
Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;
aa . arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO of zoals bepaald in artikel 4 tot en met artikel 6 WIA;
ab . IVA-uitkering:
de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;
bb . WGA:
Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;
cc. WGA-uitkering:
de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;
dd. WAJONG:
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;
ee . WAZ:
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
ff. Waz :
Wet arbeid en zorg;
gg . SUWI:
de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;
hh. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
ii. pensioenreglement:
het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
jj . WPA:
de Wet privatisering ABP;
kk . vervallen;
ll. vervallen;
mm. volledig dienstverband:
een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week;
nn . ZW:
de Ziektewet;
oo . ZW-uitkering:
ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;
pp. UWV:
het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.
qq . Salaris:
maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur;
rr . Salaristoelagen:
de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarne- mingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaar-
heidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoe- lage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend; ss. Functieschaal:
de salarisschaal die bij een functie hoort;
tt . Periodiek:
het maandbedrag in een salarisschaal;
uu . Salarisschaal:
een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk;
vv. Achterblijvende Partner:
▇▇▇▇▇▇, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar;
ww. Vakantietoelage:
jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt;
xx. payroll werkgever / werknemer:
de werkgever, die op basis van een overeenkomst met een veiligheidsregio, welke niet tot stand is ge- komen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, een werknemer ter beschikking stelt om in opdracht en onder toezicht en leiding van de veiligheidsregio arbeid te ver- richten, waarbij de werkgever die de werknemer ter beschikking stelt alleen met toestemming van die veiligheidsregio gerechtigd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen;
yy . inlenersbeloning:
de wettelijk verplichte beloningselementen benoemd in de cao van de payroll werkgever, die van toe- passing is op de arbeidsovereenkomst met een payroll werknemer en corresponderen met de belo- ningselementen in de CAR-UWO van een ambtenaar in dienst van de veiligheidsregio werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie;
zz . bestuur:
bestuur van de veiligheidsregio;
aaa . vrijwilliger:
de ambtenaar die aangesteld is als brandweervrijwilliger bij de veiligheidsregio;
bbb Wettelijk betaald ouderschapsverlof:
de periode waarin de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van artikel 6:3 Wazo
Artikel 1:2 Geen ambtenaar
Lid 1
Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar be- schouwd
a. de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. Lid 2
Op de vrijwilliger zijn alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.
Artikel 1:2:1 Uitzonderingen bijzondere arbeidsrelaties
Lid 1
Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26 en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.
Lid 2
Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d en 17 niet van toepassing
Lid 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepas- sing.
Lid 4
Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3 en 10d niet van toepassing.
Lid 5
De ambtenaar, bedoeld in de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, heeft recht op:
a. 8% vakantietoelage, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en
b. 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en
c. 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris.
